Maandag varen we door naar Loch Ness. Dat voelt als een echte mijlpaal. Hoe bijzonder is het om hier met je eigen bootje te varen! Het meer is heel lang en tot meer dan 200 meter diep tot vlak bij de kant. Daar kun je qua ankeren niets mee en er zijn ook weinig andere mogelijkheden om aan te leggen.





Ongeveer halverwege ligt echter Urquhart Bay, een baai waar we mooi uit de wind kunnen ankeren. Johan had op een website ontdekt dat er ook één visitor mooring ligt. Dit is een soort boei die met een ketting aan een zwaar gewicht op de bodem is verankerd. De mooring is zowaar vrij! We liggen hier heerlijk alleen met een prachtig uitzicht over Loch Ness. Met de bijboot roeien we naar de kant en wandelen naar de hoek van de baai. Daar liggen de ruïnes van Urquhart Castle.

Dat is een bezoek waard. De historie is heel interessant en geeft een goede indruk van wat er zich in het verleden heeft afgespeeld. Het kasteel is zo vaak overvallen, dat de bewoners het in de 17e eeuw uiteindelijk zelf hebben opgeblazen. We wachten nog een forse regenbui af in het visitors centre, waar we van de gelegenheid gebruik maken om een kopje koffie en thee te nuttigen met een lekker dingetje erbij natuurlijk.



Tijdens de wandeling heen en terug hebben we een mooi uitzicht op de baai, met Beluga rustig dobberend achter de mooring. We zijn helemaal happy en vinden dit een topdag!



Dinsdag varen we de tweede helft van Loch Ness over naar Fort Augustus.

De bergen aan weeszijden worden steeds hoger. Het is adembenemend mooi. Het waait wel heel hard (wind on the nose!) en we besluiten vóór de 5-traps sluis te overnachten aan een jetty. Fort Augustus is een schilderachtig gelegen dorpje met bijna een Harry Potter sfeer. In Peterhead had de havenmeester ons de tip gegeven om hier in de Lock Inn een biertje te nuttigen en te eten. Het is natuurlijk druk, maar we vinden een leuk plekje in het gezellige café. Het was weer een prachtige dag.



Auteur:Sail-Beluga
Caledonian Canal
In de jachthaven van Inverness blijven we een extra dag liggen, omdat we ons eerst willen voorbereiden. Hoe werkt het, waar kan je zoal overnachten, wat moet je doen om toegang te krijgen? Het Caledonian Canal is tussen 1803 en 1822 aangelegd. Er is handig gebruik gemaakt van het door de ijstijd gevormde landschap. Er liggen langerekte meren tussen de bergen van de Highlands, die veelal noord-oost – zuidwest lopen. Door middel van stukken gegraven kanaal zijn de meren Loch Dochfour, Loch Ness, Loch Oich en Loch Lochy met elkaar verbonden, met aan beide zijden natuurlijk ook nog een uitgang naar zee. De hoogteverschillen worden door 29 sluizen overbrugd. De totale lengte is ongeveer 96 kilometer, waarvan 61 km meer en 35 km kanaal.


Men dient voordat men de zeesluis invaart online te betalen en een doorvaart van maximaal 7 dagen te boeken (eventueel te verlengen tot 10 dagen).
Zaterdag 25 juni is er een zwemwedstrijd over het water waar we doorheen moeten om van de jachthaven naar de zeesluis te varen. Je moet het water daar tussen 09.00u en 11.00u vermijden. Daarom hebben we vrijdag al de sluis opgeroepen en gevraagd of we met de eerste schutting mee mogen. Om 8.30 uur moeten we er zijn. Het is even een dingetje om die sluis aan te lopen. Je kan ervoor nauwelijks afmeren en buiten zijn er links en rechts fikse zandbanken, die momenteel weliswaar onder water staan, maar de sterke getijstroming staat daarom haaks op de aanloopgeul. We draaien een poosje rondjes.


Een Duits motorjacht mag als eerste binnenvaren en wij als tweede. Uiteindelijk zijn we met zijn zessen en passen tenauwernood in de sluis. Het is zorgvuldig mikken met de lijnen om de boot op zijn plaats te houden met minder dan een meter voor en achter. We krijgen een sleutel voor de “facilities” her en der langs het kanaal, een licence en een papieren Skippersguide met uitleg van de vriendelijke dame die de sluizen bedient en alles alleen moet doen.
Uiteraard zijn er een aantal die nog niet geboekt en betaald hebben, dus moet die administratie ook nog eens gebeuren.

Uiteindelijk gaan de sluisdeuren open en gaat een brug voor ons open en varen we daarna meteen een volgende sluis in. Daarna meren we af in de Seaport Marina (waar je de eerste nacht gratis mag liggen). We zijn hier uiteindelijk een uur of drie/vier zoet mee geweest voor een afstand van slechts 3 zeemijl. We wandelen Inverness in om wat boodschappen te doen.


Zondag melden we ons aan voor de eerstevolgende sluis (de Muirtown Flight), 4 sluizen direct achter elkaar. De sluismeester loopt naar de jachthaven en gaat langs de boten om de lengtes in te schatten en om instructies te geven. Samen met een Brits jacht, de Atalanta, gaan we eerst door een aantal bruggen en dan de eerste sluis in. We gaan omhoog, dus vaar je binnen tussen twee hoge lege muren aan beide kanten zonder iets om de lijnen aan vast te maken. Vantevoren geeft de sluismeester aan wie aan welke zijde moet liggen. Wij gooien onze lijnen omhoog en de sluismeester vangt ze op en legt ze om een soort haken aan de kant. Als de eerste sluis is volgelopen, moet Joke de kant op en met de voorlijn de boot naar de volgende sluis slepen. De sluismeester helpt hier nog mee met de achterlijn.


In de komende dagen moet Joke met beide lijnen lopen. Johan start toch de motor en laat die het zware werk doen. Het waait heel hard en het is onmogelijk om alles op de hand te doen. Dit kunstje brengt ons uiteindelijk door vier sluizen een heel stuk hoger.
Achter de Atalanta gaan we een stuk kanaal door, met een aantal bruggen en nog een sluis bij Dochgarroch. Zij melden ons beiden steeds aan op de marifoon en wij bevestigden dat nog even. Zo draait alles heel vlot en gaan we uiteindelijk na de sluis aan een drijvende steiger (jetty) liggen om te overnachten.


De marifoon staat nog aan en we horen dat een schip even moet aanmeren voordat ie de sluis in kan, de enige sluiswachter die de sluis bedient heeft lunchpauze. We helpen het schip met de lijnen en Joke ziet dat een van de bemanningsleden een bekende ShetlandWoolWeek-hat draagt. Dat nodigt uit tot een gesprek dat pas is afgelopen als de sluiswachter haar dienst weer hervat.


De eerste heuvels (bergen?) zijn inmiddels in zicht gekomen. Het landschap is betoverend mooi. We proberen een wandeling te maken, maar daar was hier niet zo veel gelegenheid voor. We liggen voor een landgoed en overal staan bordjes waaruit blijkt dat we er niet in mogen. We wandelen een stuk langs de weg en zien aan diverse (helaas doodgereden) dieren dat er heel wat wild in het mooie landschap leeft. We zien o.a. een hert, een bosmarter en diverse vogels.

Buckie – Inverness
Donderdagochtend bedanken we de havenmeester voor alle hulp en vertrekken we onder een strak blauwe hemel naar Inverness. Volgens de Met Office (Britse KNMI) en Windy krijgen we de wind-on-the-nose-variant “weinig wind tegen” en later windstilte. De weergoden besluiten echter anders, het wordt “veel wind tegen”. We moeten op de motor er flink tegenaan om tijdig bij Inverness aan te komen. Als je daar te laat bent, gaat het tij tegenlopen met veel stroom tegen. Door schuin tegen de golven te varen houden we een beetje vaart in de boot. Het wordt een uithoudings- en geduldproef, maar om 18.30 uur varen we Marina Inverness in.




We gaan ons voorbereiden op het Caledonian Canal!
Knockando en Cardhu
De volgende ochtend melden we ons op het havenkantoor. De havenmeester heeft al een en ander voorbereid en belt een verhuurbedrijfje. Binnen een kwartier is het geregeld, voor 40 pond is er een auto beschikbaar. Dat is ongeveer net zoveel als de trein- en busreizen zouden hebben gekost, uiterst schappelijk dus. Een tweede havenmeester brengt ons met zijn auto naar de garage, waar de witte Ford Focus nog even een wasbeurt krijgt. De dame van de garage regelt de administratie, ze meldt dat we geluk hebben want de volgende dag zijn ze gesloten voor een lang weekend. Even later stappen we wat onwennig in. Johan moet vooral nadenken bij het schakelen met de linker arm, maar het links rijden lukt uiteindelijk prima.

Na een rit van een kilometer of 45 arriveren we bij de Knockando Woolmill. We worden vriendelijk ontvangen en krijgen een folder mee met uitleg en wat er allemaal te zien is. Het is mooi zonnig weer en we kijken onze ogen uit. Buiten zijn er prachtige tuinen met een kabbelende beek en vijver, die voor het water zorgt dat het waterrad aandrijft en die op zijn beurt de machines weer in beweging brengt.



De Woolmill bestaat ten minste sinds 1749. De machines werden altijd tweedehands gekocht en momenteel zijn er nog twee weefgetouwen in gebruik die dateren uit 1869 en 1899. Er is een deel waar stoffen worden geweven en een deel waar de wol wordt gekaard (kammen van wol), gesponnen en getwijnd (meerdere draden samenvoegen). Er is een jarenlange restauratie geweest en dit heeft geleid tot een prachtig historisch werkende Woolmill. Een film in een ander gebouw laat heel mooi zien hoe alles werkt.





We nemen uiteraard een kijkje in de shop. Joke vind een mooie sjaal en wat wol voor een toekomstig project. Wat was dit mooi en alle moeite waard!




Op kleine afstand is er ook nog de Cardhu whiskey distilleerderij. We besluiten daar heen te rijden en vallen met onze neus in de boter. Een uitgebreide rondleiding begint over tien minuten en er zijn nog een paar plekken vrij. Een leuke film legt uit hoe dit historisch is ontstaan in de 18e eeuw, waarbij vrouwen een prominente rol speelden.



We krijgen een interessante rondleiding met uitleg over het proces, op welke momenten er keuzes gemaakt worden om de smaak te beïnvloeden en uiteraard de mogelijkheid om maar liefst zes soorten whiskey te proeven. Gelukkig houden ze rekening met autobestuurders: Johan ruikt er alleen aan en mag de whiskey’s meenemen in kleine flesjes om ze later aan boord te proeven. Johan besluit om een fles Cardhu Amber Rock te kopen. Zo hebben we beide “ons ding”. Joke de woolmill en Johan de whiskey.




Op de terugweg missen we een afslag en komen we per ongeluk uit aan de kust bij het Dolfin Centre. We hebben geluk, op kleine afstand voor het strand zien we vele dolfijnen uit het water opduiken en springen. Uiteindelijk rijden we terug, leveren de auto in en halen een ietwat vettige fish and chips in een snackbar. Voldaan klimmen we weer terug op de boot. Wat een bijzondere dag!
Buckie
Wind on the nose
Onze Schotse buurman in Whitby zei het al: Welcome to Scotland, wind on the nose. Het ziet er naar uit dat je hier kan kiezen met het weer: veel wind tegen, weinig wind tegen of geen wind. Voor dinsdag laat de app Windy de variant weinig wind tegen zien, gevolgd door geen wind. Dit is in de komende dagen het best haalbare om vanuit Peterhead verder te gaan. De vorm van het land zorgt voor grote driehoekige stukken zee die Firth worden genoemd. Vanuit Peterhead moeten we de hoek om de Moray Firth in. Het zijn enorme lappen water, rond de 100 mijl lang en breed.
Joke heeft inmiddels op internet een Woolmill gevonden, een stuk landinwaarts. Daar worden wol en stof geproduceerd op uit de 19e eeuw daterende machines. In eerste instantie dachten we non-stop door te gaan naar Inverness, een nacht doorvaren. Vanuit Inverness is er een mogelijkheid om met de trein en bus in de buurt van die Woolmill te komen. Eén probleempje: de Britse spoorwegen beleven de grootste staking in tientallen jaren. Voor de hele week is er een advies om zo min mogelijk met de trein te gaan reizen. Nu ligt er halverwege de Moray Firth het stadje Buckie. Er is niet echt een jachthaven, maar in de vissers- en werkhaven kunnen ze wel enkele jachten kwijt. Is hier de mogelijkheid om met alleen de bus te gaan? Ja en nee: er gaat een bus maar die gaat de volgende dag pas terug. Dus gaan we ervoor om een autootje huren. Al deze afwegingen hebben we in Peterhead gemaakt.
Dinsdagochtend worden we uitgezwaaid door de vriendelijke havenmeester. Buitengaats hebben we 10 knopen wind tegen. Onze koers gaat van noord naar west en de wind doet vrolijk mee en blijft pal tegen staan. Onderweg is er nog twijfel. Is Buckie wel geschikt, zijn er wel laddertjes om de hoge kademuren op te klimmen? Johan bestudeert foto’s en besluit dat het moet kunnen. Na een dagtocht van 50 mijl roepen we de Port Control op via VHF 12. Ze geven ons toestemming om binnen te lopen en staan in basin 2 al klaar op de plek waar wij mogen afmeren, pal tegenover het havenkantoor.
De landvasten moeten met hoog water veel speling hebben, omdat ze anders met laag water de boot ophangen aan de kade. Als Johan de lijnen hierop inricht, gaat Joke alvast naar het havenkantoor. Daar vraagt ze of er ergens een auto te huur is. De havenmeester komt later speciaal langs om te zeggen dat hij wat heeft rondgevraagd en dat we de volgende ochtend op het havenkantoor verder kunnen informeren. Er is geen 4G in de haven en ook niet op de kant, dus Joke kan haar internet speurneus niet inzetten. Johan staat ’s nachts op om met laag water te controleren of de lijnen lang genoeg zijn. Het gaat goed.
Coastal Trail
Zaterdag maken we een busritje naar Longhaven, een stukje zuidwaarts. We wandelen naar de kust en beginnen een prachtige wandelroute langs de ruige kust. We starten bij Bullers of Buchan, meteen worden we gegrepen door het spectaculaire uitzicht. Het gat in de rotsen is vroeger waarschijnlijk een grot geweest en het dak ligt nu op de zeebodem. De kliffen bestaan uit rood-roze graniet die op een bijna dramatische manier uit zee oprijzen.



We lopen langs kliffen met vele soorten nestelende vogels. Met de meegenomen verrekijker spotten we zeekoeten, zwarte zeekoeten, drieteenmeeuwen (de engelse naam kittywake klinkt leuker), kleine aalscholvers, alken en stormvogels. Helaas zien we hier geen puffins en de beloofde zeehonden hebben we ook niet kunnen ontdekken.


Het waait hard, maar het is verder mooi zonnig weer. We verkennen ook een deel van het pad door Longhaven Cliffs een Scottish Wildlife Trust. De waarschuwing dat er een deel van het pad door een aardverschuiving was ingestort hadden we al vernomen.




We zijn gedwongen om terug te lopen en via akkers en een greppel lopen we weer richting bushalte. Als Joke een kreet van enthousiasme slaakt (zacht uitgedrukt) krijgt Johan zowat een hartverzakking, er blijkt een ree op nog 5 meter naast ons in het struikgewas te liggen. Ree rent van schrik weg, Johan is zo ontdaan dat hij het hele beestje niet gezien heeft en Joke staat met open mond te alles gade te slaan.
We komen weer terug bij onze bushalte en na een poosje wachten keren we bootwaarts. ’s Avonds kijken we de Formule 1 kwalificatie.
Zondag besteden we aan wat kleine klusjes en het berekenen van de route naar Inverness. Alles wordt, behalve door de wind, gedicteerd door de getijden. Als je op het verkeerde moment bij Inverness aankomt, kan je tot 6 knopen stroom tegen krijgen, dat is ongeveer zo hard als de boot kan varen op de motor. De juiste timing is essentieel, wat over een route die rond de 20 uur duurt niet heel vanzelfsprekend is. We beoordelen nog een aantal alternatieve tussenstops, mochten die nodig blijken: Lossiemouth, Buckie en Whitehills. Leuke extotische namen met redelijk bruikbare haventjes. De verwachte storm is inmiddels losgebarsten.


Het weatherwindow van maandag is uit de verwachting verdwenen. Na afloop van de storm zal ook nog lange tijd een hele hoge zeegang blijven doorstaan. Naar het noorden ligt de oceaan tot aan de poolcirkel immers open! We mikken nu op dinsdag of donderdag om verder te gaan. Windy (onze weerapp) en de weergoden zullen de mogelijkheden aan ons voorleggen.
Peterhead
We hebben tijd nodig om wat aan de huishouding te doen. Ook als je aan boord leeft zijn taken als de was en boodschappen nodig. We kunnen ook wat diesel gebruiken en we moeten weer eens verder kijken naar de route naar Inverness. We worden een handje geholpen door het weer. Er staat steeds een stevige westenwind in de Moray Firth, het grote driehoekige stuk water dat naar Inverness leidt. Het is nog altijd ongeveer zo’n 100 mijl, dus is tegenwind niet bruikbaar voor ons. Verder komt er in het weekeinde nog een fikse storm langs. We blijven dus lekker liggen todat de weergoden het goed vinden dat we verder gaan.
De haven en de directe omgeving zijn niet bijzonder mooi, maar alles wat we nodig hebben is voorhanden.

Je krijgt voor een relatief bescheiden liggeld na vijf dagen ook nog eens twee dagen gratis. Er is hier tevens een mooie gelegenheid om de was te doen. Als we uit het was- en douchegebouw lopen, komen we een Duitse YouTuber tegen die vanuit zijn vak als fotograaf wil proberen te gaan leven van zeilen en vloggen. Hij zit iets lekkers op te peuzelen en vertelt dat hij dit heeft gekocht bij een veganistische bakker. Hij geeft ons een lekkere koek, die ons doet besluiten om die bakker ook maar eens op te gaan zoeken. We raken gezellig aan de praat en de was is klaar als we weer verder gaan.
Vrijdag lopen we Peterhead in, op zoek naar de veganistische bakker. We kopen er een lekker brood en wat “lekkers voor bij de koffie”. Op de terugweg komen we langs de supermarkt waar we de verdere boodschappen doen.



Weer in de haven checkt Johan nog even met de havenmeester hoe het werkt met de diesel. “Oh zet maar een paar jerrycans neer, dan zorg ik dat ze gevuld worden”. We raken aan de praat met een Nederlands echtpaar dat op een prachtige 55-voets aluminium jacht vaart. Ze nodigen ons aan boord uit. We lopen eerst door naar Beluga om de boodschappen op te ruimen. De jerrycans gaan naar de havenmeester. Dan is er tijd voor een drankje en een hapje aan boord van de Albatros, de mooie 55-voeter. Zij vinden het leuk om het verhaal van ons rondje Atlantic te horen en ze vertellen over hun reizen naar West Schotland, de Shetlands, Fair Isle, de Orkneys en Noorwegen. Naderhand stonden de jerrycans gevuld met diesel klaar op een handkar. Het havenkantoor is gesloten, dus ook dit mogen we afrekenen voordat we weggaan. Mooi om te zien dat er nog plaatsen bestaan waar mensen elkaar vertrouwen!
De Duitse vlogger (zijn vlog heet Seesucht van Philipp Hympendahl) komt nog even langs en helpt met het aan boord dragen van de zware jerrycans. Uiteraard bieden we hem een biertje aan en zitten we weer een poos gezellig te praten. De dag vliegt voorbij en het is tijd om aan het diner te denken. We gaan voor het veganistische brood, met iets minder veganistische bacon en eieren. Maar het brood smaakt uitstekend.
Whitby – Peterhead
In Whitby beginnen we ook te puzzelen hoe we verder kunnen gaan. Diverse bestemmingen verder naar het noorden vallen af, omdat het droogvallende havens zijn. Leuk voor boten die daarvoor geschikt zijn, maar wij zien dat nog even niet zo zitten. We kunnen naar Hartlepool, Amble, Sunderland en nog een paar plaatsen, maar er komen een aantal rustige dagen aan. Daarom begint het idee post te vatten om in één ruk door te gaan naar Peterhead. Het is wel 190 mijl, dus moeten we rekening houden met twee nachten doorgaan. Joke zet de route weer in de kaartplotter, we rekenen de getijden uit voor stroming en waterstand en noteren de nodige gegevens over tussentijdse havens. Onderweg naar Whitby kwamen we al diverse vissersboeitjes tegen. Eigenlijk zijn dat een soort mini ballonnetjes, verbonden met een touw. Mochten we daar toevallig overheen varen dan is een touw in de schroef geen denkbeeldig gevaar. Daarom besluiten we om niet de kust te volgen, maar gewoon in een rechte lijn rechtstreeks naar Peterhead te varen.

We hebben leuke gesprekken met onze buurman in de haven. Hij is ook onderweg rond Engeland, maar dan vanuit Inverness in tegengestelde richting. Hij heeft het Caledonisch kanaal vele keren gevaren en heeft zelfs televisieprogramma’s gemaakt over de Schotse kanalen.
We verlaten met de brug van 15.00 uur de haven, nu wel keurig communicerend op kanaal 11. De brugwachter wenst ons goede reis. Joke heeft in de buitenhaven tijd genoeg voor de stootwillen- en landvasten-routine en nog in de haven hijsen we het grootzeil. We horen rondvaart bootjes op de marifoon communiceren over dolfijnen net buiten de haven. En warempel wij zien ze ook!
De tocht begint redelijk saai, er is weinig wind en we moeten zoals verwacht vooral de motor samen met de zeilen het werk laten doen. Later komt er wind en kunnen we een flink stuk zeilen. Onderwijl zien we jan-van-genten en papegaaiduikers vliegen.


Als de wind verder afneemt (allemaal keurig volgens de weersverwachting) moet de motor weer bij. Deze is de laatste 24 uur niet meer uitgegaan. Zo gaan we de tweede nacht in. Het is rustig met de scheepvaart. De AIS hebben we meestal op een range van 6 mijl staan en blijft lang leeg. Het is ’s nachts heel koud. We kleden ons met 4 tot 5 lagen, inclusief het water- en winddichte zeilpak. We hebben uiteraard onze reddingsvesten aan en gebruiken lifelines, waarmee we ons aan de boot vastmaken. We willen elk risico uitsluiten om als een “michelin-mannetje” overboord te vallen in het koude zeewater! Dit is overigens altijd al onze vaste stelregel. Aangelijnd in de kuip als de ander binnen ligt te slapen.
Onderwijl komt het alternatief nog ter sprake om er een derde nacht aan vast te plakken, al dan niet na een korte getijdestop in Peterhead. Dan zouden we nog een mijl of 95 doorgaan naar Inverness. Het is nu rustig en dit zou ook helemaal op de motor moeten. We worden het uiteindelijk zat. De wachten worden erg koud en saai, de nachttemperatuur is een graad of 10. We stoppen in Peterhead, met het risico dat we er een aantal dagen moeten blijven, omdat er een storm aankomt. We bedenken dat we ons dan wel gaan vermaken op het land. Eigenlijk zijn we er best trots op dat we in drie lange tochten met vier nachten op zee al zo ver gekomen zijn.
Aldus besluiten we om Peterhead aan te lopen. Johan checkt de Reeds Nautical Almanac en ziet dat die afraadt om met laag water springtij vanuit de grote buitenhaven de marina in te lopen. De ingang is niet heel diep. Het is één dag voor springtij en we komen natuurlijk precies rond laag water aan. We roepen Peterhead Harbour Radio op. Met de vriendelijke havenmeester stemmen we af wie we zijn, dat we met 1,6 meter diepgang de marina willen aanlopen, maar rond laagwater zullen aankomen. Hij wil dat we twee mijl voor de havenmonding weer oproepen en daarna nog eens op een halve mijl. Hij geeft aan dat de actuele waterstand voldoende is voor onze diepgang en helpt nog met een uitleg over een groen boeitje vlak bij de marina en dat we die aan onze stuurboord kant moeten houden. De buitenhaven is heel groot. Peterhead is één van de grootste visserijhavens van Europa en er varen ook grote supplyvessels in en uit. Dat zijn schepen die langs de olie boorplatforms gaan voor onderhoud en bevoorrading. Ook hier is het dus nodig om als plezierbootje goed te communiceren met de havenmeester.
Uiteindelijk lopen we zonder problemen de marina aan en meren we af op een vrije plaats. Een andere Nederlandse zeilboot wil uitvaren. Hij heeft 2.1 meter diepgang en loopt prompt muurvast bij de ingang. We proberen nog te helpen met een lijn op een lier, de schipper gaat aan de giek buitenboord hangen, maar het is tevergeefs. Hij zal een poosje moeten wachten tot de vloed weer opkomt en hij vanzelf vrij komt.



We zijn eigenlijk nog vrij fit na deze lange tocht, maar we gaan eerst maar eens een paar uur slapen voordat we ons bij de havenmeester melden. Hij is heel vriendelijk en legt alles heel rustig uit. We hoeven niet eens van te voren te betalen en mogen afrekenen als we weten wanneer we weer vertrekken.
Het is inmiddels donderdag als we het na een goede nachtrust nodig vinden om eens aan huishoudelijk taken te denken, de was te doen, wat diesel te tanken en even een paar dagen uit te rusten en natuurlijk wat van de omgeving te gaan zien. Het ziet er nu naar uit dat we maandag weer verder kunnen, nadat een storm gepasseerd is.
Whitby
De volgende ochtend is het tijd om Whitby te bekijken. Wat een leuke verrassing is dat! Het is een prachtig plaatsje met hele mooie historische straatjes. We lunchen in een gezellig oud-engelse tea-room, met slechts enkele tafeltjes. Overal zijn nog de versierselen van de Queen’s Jubilee viering te zien, wat het nog gezelliger maakt. We lopen langs een replica van de Endeavour, een van de schepen die hier gebouwd zijn voor Captain Cook. Er is zelfs een Cook-museum.


Onderweg zien we vele winkels die Whitby Jet verkopen, even op internet neuzen leert ons dat dit een fossiel is van het hout van de monkey-puzzle-tree. Alleen al de naam is komisch, de nederlandse vertaling is het saaiere woord slangen-den.
In de Victoriaanse tijd werden hier al sieraden gemaakt van dit licht in gewicht gesteente. Queen Victioria kon rekenen op grote exemplaren, die dus makkelijk te dragen waren.




Via een trap van 199 treden komen we bij de ruïne van een grote Abbey (abdij). Deze abdij is oorspronkelijk uit de 7e eeuw en vervolgens vernietigd door de Vikingen. Monniken hebben in de eeuwen daarna nog tweemaal een nieuwe abdij op dezelfde plek gebouwd. De huidige ruïne is gemaakt tussen de 13e en 15e eeuw. In 1539 is deze vernietigd onder het bewind van Henry VIII.
We lopen nog wat verder en vinden een kleine lokale brouwerij, waar Johan een doosje met drie leuke biertjes op de kop tikt.





Weer terug op de boot gaan we de Formule 1 race bekijken op de laptop. Johan nuttigt daarbij natuurlijk zo’n biertje. Joke nipt mee en vind het zowaar ook lekker!
Lowestoft-Whitby
De komende dagen wordt een vrij stevige aflandige wind verwacht. Dat is voor ons een mooie gelegenheid om noordwaarts te gaan. Na enig puzzelen komen we uit op Whitby (ongeveer 150 mijl) of Hartlepool (ongeveer 175 mijl). Whitby kan je alleen aanlopen in een periode van 2 uur voor tot 2 uur na hoog water, omdat de ingang van het riviertje anders te ondiep is. Voor Hartlepool geldt hetzelfde, alleen is het window 4 uur voor en na hoog water. Op zo’n lange afstand is het lastig om te voorspellen hoe laat je aankomt, omdat de getijdestromingen elke 6 uur mee- of juist tegen gaan lopen en de boot afhankelijk is van de windkracht. Het zal ook nog eens zo’n 30 uur duren om 150 mijl af te leggen. Uiteindelijk besluiten we voor Whitby, omdat die 150 mijl haalbaar lijkt en goed aansluit op een gunstig vertrektijdstip vanuit Lowestoft met stroom mee.
Vrijdagochtend 10 juni vragen we via de marifoon de verplichte toestemming om de jachthaven te mogen verlaten. Dit is nodig omdat we in de buitenhaven anders de grote scheepvaart in de weg zitten. We mogen weg en gaan de haven uit naar buiten. Johan stuurt en voor Joke begint dan eerst de race tegen de klok om op de inmiddels flink wiebelende boot de stootwillen en landvasten op te ruimen en vervolgens het grootzeil te hijsen. Johan verleent van achter het stuurwiel zo veel mogelijk assistentie. Hij moet ook op de route letten, omdat er al snel zandbanken voor de haven liggen.
We hijsen de zeilen, laten Arie (de windvaan) sturen en de boot gaat er vandoor met recordsnelheid. Geholpen door de stroom tikken we af en toe zelfs de 10 knopen aan. De wind is vlagerig en varieert tussen de 14 en 25 knopen (windkracht 4 – 6). Johan is steeds aan het werk om de zeilen en de windvaan zo af te stellen dat de boot ongeveer de gewenste koers blijft varen.


Elke zeilboot heeft namelijk de neiging om bij toenemende wind de neus in de wind te draaien en bij afnemende wind het omgekeerde. We lopen zoals gewoonlijk wachten van 3 uur op en 3 uur af, maar het is door de onrustige snelheid behoorlijk lastig om af en toe een beetje slaap te pakken. Ook is er sprake van een soort adrenaline kick, zodat het hoofd eerst tot rust gebracht moet worden voordat er überhaupt sprake is van een beetje slaap vatten. Joke heeft er wat minder last van, maar Johan is veel bezig met het managen van de boot en soms ook de bemanning 😉
De avond breekt aan met een heldere lucht. We varen ook hier regelmatig langs de nodige windfarms, maar kunnen er vrij gemakkelijk tussendoor zigzaggen. Op de AIS zien we Indigo, een Frans zeiljacht dat we heel langzaam oplopen. Op een gegeven moment nemen wij een route buitenom een windfarm en zij binnendoor. Ze voeren kennelijk in de weg voor een zeeschip, want die probeerde ze herhaaldelijk via de marifoon op te roepen. Tevergeefs aangezien ze niet reageerden.



Voorbij de windfarms komen we Indigo weer tegen. Joke moet zelfs nog even uitwijken. Wel grappig om een soort zeilrace te houden via de AIS. Zij kiezen een betere route, want vlak onder de kust liepen ze weer uit. Naderhand zien we op de AIS dat zij naar Hartlepool gingen, maar buiten voor anker gingen, omdat ze het 4-uurs window van die haven hadden gemist.
Een mijl of 15 vóór Whitby besluiten we om een poosje snelheid te minderen, omdat we te snel gaan en wellicht te vroeg bij Whitby arriveren. We lopen één uur voor hoog water Whitby binnen, na 150 mijl met een record snelheid van 6,5 knoop gemiddeld te hebben afgelegd. In de opwinding waren we vergeten dat we geacht worden de havenmeester op te roepen. Als zij ons oproepen op kanaal 16 (het standaard uitluister kanaal) zoekt Joke nog snel even op dat we op marifoonkanaal 11 moeten zijn. Veel havens worden in Engeland door beroepsvaart en pleziervaart aangelopen en dus is het redelijk dat ze verlangen dat we ons netjes aanmelden. De jachthaven van Whitby ligt achter een brug (die ook van 2 uur voor tot 2 uur na hoog water bediend wordt en dan nog slechts eens per half uur). Uiteindelijk worden we netjes opgevangen door de havenmeester van de jachthaven, die ons een plekje toewijst. We liggen wel op de plaats van een grote motorboot. Die komt later terug met de laatste brugopening en moeten we nog even los om vervolgens langszij de motorboot weer af te meren.
Johan is inmiddels een soort zombie door het slaapgebrek, Joke heeft daar minder last van. Het was een gave tocht, maar wel vermoeiend!









