Lochranza en Campbeltown

’s Avonds na het eten blazen we de bijboot op en hangen het buitenboordmotortje eraan, die start nog vlotjes. De volgende dag varen we met de bijboot naar de kant. Het is laag water, dus tillen we de boot op, lopen een heel eind omhoog en binden het daar vast. We willen een wandeling combineren met een bezoek aan een whisky distilleerderij bij Lochranza, een baai aan de noordwest kant van het eiland. De afstand is vrij groot, dus we nemen een bus. Die is behoorlijk vol en moet op de smalle weg regelmatig wachten op een moment om groepjes fietsers in te halen. Dat haalt de chauffeur dan weer in door flink door te gassen. De weg is behoorlijk bochtig en hobbelig, dus worden we flink door elkaar gerammeld.






We komen heelhuids aan en wandelen wat rond de Loch Ranza baai en uiteindelijk naar de distilleerderij in Lochranza zelf. De naam van het stadje is afgeleid van de baai, daardoor is de schrijfwijze anders. Johan tikt twee flessen whisky op de kop en Joke een leuke Schotse deken van gerecyclede wol. Er is een eetcafé, waar we een heerlijk maaltje nuttigen. Na de busreis terug vinden we de bijboot drijvend tussen nog een aantal andere dinghy’s. Het is nu hoog water. Het getijverschil van ruim drie meter is iets om rekening mee te houden!





















We blijven de volgende dag liggen en genieten van een zeldzame mooie dag met temperaturen rond de 20 graden. De Schotse versie van de hittegolf is prima uit te houden.



Er staat weinig wind als we op maandag uitvaren. De bestemming is Campbeltown, dichtbij de Mull of Kintyre. Het is een goede uitgangspositie om een geschikte dag uit te zoeken voor de oversteek richting Belfast.



Onderweg zien we twee keer een puffin familie van pa, ma en jong. Leuk om te zien hoe ze het jonkie leren om op het water te overleven. We blijven dinsdag in Campbeltown liggen en bekijken de weerberichten. Woensdag, met (iets te?) stevige wind of donderdag met (iets te?) weinig wind. Dat zijn de smaken waar we uit kunnen kiezen. We zijn er nog niet uit.











Firth of Clyde

’s Morgens wandelen we naar de Sealock, we zijn klaar voor vertrek. De sluis is vol water en de sluismeester(es) wilde de sluis net leeg laten lopen om een boot van buiten naar binnen te laten. Het bassin waar we in liggen is niet erg groot, dus de inhoud van elke sluis moet ook weer aangevuld worden vanuit het kanaal. Daarom was ze blij om te horen dat wij graag naar buiten willen. Dan hoeft ze de sluis niet voor niks leeg te laten lopen. Er ligt nog een brug direct voor de sluis die ook open moet. Het duurt even voordat daar de “all clear” voor wordt gegeven, maar dan maken we los en varen de sluis in. We geven de canal crew een compliment. Ze waren heel vriendelijk en behulpzaam en bovenal relaxed. Dat zijn we in Nederland helaas vaak anders gewend.



Eenmaal buiten meren we nog even af aan de jetty. We hebben speciale sluislijnen ingericht en overal stootwillen hangen. Na de transformatie van kanaalboot naar zeilboot varen we uit en gaan zowaar helemaal onder zeil naar Tarbert, onze volgende bestemming. Geen wind on the nose dit keer! Tarbert is een charmant stadje. We wandelen wat rond, doen boodschappen, drinken een bakkie koffie bij een leuk tentje en gaan ons beraden over het vervolg.












We zitten in de Firth of Clyde en overwegen om bovenlangs Bute te gaan. Dit komt op de langere termijn echter niet lekker uit met de windverwachting. Daarom besluiten we naar Arran te gaan.
De volgende dag varen we uit. Het waait stevig, met alleen de genua zeilen we regelmatig meer dan 6 knopen. Arran heeft hele hoge bergen (tot ruim 900 meter). Die veroorzaken regelmatig stevige valwinden. Dat zijn extra krachtige en plotselinge windstoten omdat de lucht als het ware van de berghelling af valt. Naast ons vaart een ander zeiljacht met alleen een lichtweer genua. Dat blijkt niet zo’n goede keuze, want in een hele heftige vlaag waarin de wind in een paar seconden van 7 tot 31 knopen toeneemt scheurt hun voorzeil.










Wij buigen even af naar voor de wind en rollen de genua gedeeltelijk in. De wind valt nu uiteraard weer weg. Omdat we bijna bij de baai van Brodick zijn, starten we de motor, rollen het zeil helemaal in en varen naar het stadje. Er is geen jachthaven, maar er liggen 15 visitormoorings. Er is plaats genoeg dus we kiezen er ééntje uit. De moorings worden in het voorjaar door de gemeente neergelegd en onderhouden en zijn bovendien gratis. Arran wil graag toerisme bevorderen en dit is daar onderdeel van. Het zeiljacht met de gescheurde lichtweer genua pikt ook een mooring op. Ze halen het beschadigde zeil naar beneden. Gelukkig voor hun hebben ze een tweede wat steviger voorzeil aan een tweede voorstag zitten, dus ze kunnen nog vooruit.


Crinan Canal, deel 2

De wandeling voert ons door prachtige bossen en we gaan naar een heuveltop van 214 meter hoog. Hier is een prachtig uitzicht over de omgeving. In de verte zien we zelfs nog Dorus Mor (die snelstromende doorgang) en de meanderende doodlopende rivier waar het water richting Crinan uiteindelijk in uitmondt.









We volgen een wandelroute die ons weer naar het kanaal brengt.









Bij een van de sluizen waar wij eerder doorheen gingen is een Engelsman aangekomen. Zij hebben geen geluk met sluismeesters, dus moeten ze de sluis zelf bedienen. Joke besluit ze te helpen met de sluisdeuren. Die zijn van een hele lange houten balk waar je tegenaan leunt. Dat brengt de deuren in beweging. Johan besluit ook om mee te helpen aan de andere kant. De Engelsman maakt een praatje met Joke en geeft aan dat hij later in de pub van het hotel vlak bij onze ligplaats een biertje gaat drinken. Als we nog wat lokale kennis willen over de wateren in de omgeving, dan zijn we van harte welkom.

We zitten inmiddels een beetje met een dilemma. De volgende doorgang tussen Schotland en Noord Ierland, The North Channel, is ook weer behoorlijk lastig. Wederom heftige getijdenstromingen en hoge golven, nog steeds open richting de oceaan. Volgende week woensdag is een stevige noordwester storm in het weerbericht. Moeten we voor die tijd overgestoken zijn, of wachten we dat af? En waar wachten we dat dan af? Om bijtijds over te steken moeten we ook nog eens haasten, omdat de wind anders de verkeerde kant op gaat staan. We besluiten dat we het aanbod aannemen en gewapend met de zeekaart van de Firth of Clyde (het gebied waar wij aan de andere kant van het kanaal in belanden) gaan we ook naar de pub. Dat was een goede gok. We krijgen een hele goede beschrijving van wat de Firth of Clyde heeft te bieden. Leuke ankerplekken, goede havens en de eilanden Bute en Arran. De Engelsman ligt zelf in Bute met de boot en vaart hier al jaren rond. Verder naar het zuiden heeft de Engelse kust niet heel veel te bieden voor zeiljachten. Vrijwel alles valt droog en is lastig te bereiken door het getij en de afstanden. Waarom haasten als er hier nog zoveel te zien is? Ons besluit staat vast: we blijven tot na de storm een weekje in de Firth of Clyde rondscharrelen. Daarna kijken we of er een weatherwindow is om richting Belfast te gaan.





Maar eerst hebben we nog een stukje kanaal te gaan. Als we de volgende dag ons klaar maken om te vertrekken, komt de sluismeester van de sluis achter ons vragen wat de plannen zijn. We geven aan dat we eerst voor een volgende brug boodschappen willen doen en daarna graag in The Basin voor de Sealock aan de andere kant willen overnachten. Geen probleem, hij belt met de collega’s dat we er later op de dag aankomen en wijst ons op een vrij grote Co-op supermarkt in het stadje Lochgilphead. We varen twee mijl door en gaan weer aan een jetty liggen. We wandelen het stadje in en gaan eerst eens bij een koffiebar een bakkie doen met een lekker gebakje erbij. Bij de supermarkt vinden we genoeg om onze bijna lege koelkast weer te vullen. Met drie zware tassen gaan we weer naar de boot.

We varen weer door en komen bij de volgende sluis. Ook daar is weer een sluismeester die al op de hoogte is van onze komst. Hij helpt ons twee sluizen door en wijst op een plek waar we voor de laatste sluis kunnen wachten. Na de lunchpauze komen dezelfde twee dames langs, die ons bij aankomst in het kanaal door de eerste twee sluizen hebben geholpen. Ze weten al dat we in The Basin willen overnachten.



We gaan door de laatste sluis van vandaag en meren af. We liggen weer prima. Morgen is het plan om de door de Sealock te gaan en een mijl of negen langs Kintyre naar Tarbert te varen.



De tocht door het Crinan Canal was een heel bijzondere belevenis. Wat een historische parel, aardige behulpzame mensen en een prachtige omgeving. We zouden dit niet hebben willen missen!

Crinan Canal, deel 1

Als we verder naar het zuiden willen gaan, is er een belangrijk obstakel: Mull of Kintyre (die van het liedje van Sir Paul McCartney). Dat is het uiterste puntje van een smal langgerekt schiereiland dat zich naar het zuidwesten uitstrekt richting Noord Ierland. Een relatief nauwe doorgang resteert, open naar het noordwesten. De oceaangolven rollen daar naar binnen terwijl er hele sterke getijdenstromingen zijn. Een gevaarlijke combinatie. Zo gevaarlijk dat al in de 19e eeuw een kanaal door door de hals van Kintyre is gegraven, slechts 9 mijl lang, met 14 sluizen en 7 bruggen! Dat is het Crinan Canal. Met een blik op de weerberichten was het voor ons niet zo’n moeilijke keuze: als we zuidwaarts verder willen moeten we de Mull of Kintyre “nemen” door het Crinan Canal. Het was destijds door onze Schotse buurman in Whitby ook nog eens bestempeld als het meest pittoreske Schotse kanaal.



Terwijl we nog in de haven van Craobh liggen, boeken we online de doorvaart door het kanaal. We geven een ETA (geschatte aankomsttijd) op en gaan de volgende dag op weg met de kentering van het tij. Het is heel kalm weer dus durven we de kortste weg te nemen, door een nauwe doorgang (Dorus Mor genaamd). Daar staat op het hoogtepunt van het getij een stroom van 6 tot 8 knopen. Harder dan de topsnelheid van de boot. Het loopt nu niet zo’n vaart, want we zijn daar ongeveer 1 uur na de kentering. Toch gaat het hard. Er zitten draaikolken om ons heen en we worden gelanceerd naar het water dat naar de Sealock (zeesluis) van het Crinan Canal leidt. Het is even spannend, maar de navigatie van Joke en de stuurmanskunst van Johan loodsen de boot er veilig doorheen.





We arriveren een kwartiertje voor onze ETA bij de sluis. We krijgen op de marifoon geen contact. In de Skippersguide (die we op internet hadden gevonden) is aangegeven dat we gewoon kunnen doorvaren, omdat de sluismeester je meestal wel heeft gezien. We krijgen de vraag of we de sluis in willen en mogen de sluis in. Joke vraagt nog of ze betaling hebben ontvangen en dat klopt inderdaad, door personeelsgebrek konden ze geen bevestigingsmail sturen.



Samen met twee andere boten worden we naar binnen geschut. Achter de sluis ligt een klein bassin (heel toepasselijk The Basin genaamd). We willen daar graag overnachten. Het is echter een beetje vol. Direct na de Sealock ligt een tweede sluis. De sluismeester(es) vraagt of we nog door die willen, met erachter een mooie ligplaats voor ons. Zo zijn we in korte tijd al twee sluizen verder. Een aardige start.





Wat is het hier mooi! De relaxte sfeer van het kanaal grijpt ons ook. We mogen vier dagen over de 9 mijl doen. Dat gaan we dan ook lekker doen. Na de eerste twee sluizen kan het zelfbediening worden, we zien wel hoe dat gaat lopen.










We varen de volgende dag op goed geluk door en komen bij de eerste brug. Die mag je niet zelf bedienen. Er is niemand maar aan de andere kant komt enkele minuten later een Franse boot. Men weet dus dat er animo is voor deze brug. Even later komt een brugwachter aanrijden. Hij vraagt of we erdoor willen en opent de brug voor ons. Het kanaal is hier zo smal dat twee boten elkaar niet kunnen passeren. Er zitten ook bochten in, dus de brugwachters en sluismeesters staan in contact om het verkeer enigszins te regelen. De Franse boot moet om die reden nog even blijven liggen.









Na een poosje komen we bij de eerste sluis aan. Geen zelfbediening deze keer, want er zijn twee sluismeesters die ons opvangen. Een Duitse boot gaat eerst. We moeten beide een beetje inschikken, want de sluis is niet lang genoeg voor ons beiden. De Duitser is vrij nerveus en doet het nogal onhandig. Een boot is rond aan de zijkant, dus je kan de achterkant een beetje naar de wal trekken. Als wij hetzelfde doen met de voorkant, liggen we als een soort dakpannen schuin langs elkaar. Zij laten echter de achterkant juist uit de wal steken. Met enig gepriegel met stootwillen aan de boegspriet voorkomt Joke dat ons anker hun boot beschadigt. Het vollopen van de sluis gaat behoorlijk ruig. Het is lastig om de boten helemaal stil te houden, maar het gaat allemaal net goed. We herhalen dit kunstje nog vier keer. Elke keer is er een wat bredere kom, met daarachter de volgende sluis. Heel langzaam wordt het routine.









We zijn inmiddels op het hoogste punt van het kanaal gekomen. Op onze vraag waar we het beste kunnen overnachten wijst de sluismeester ons op een mooie plek vier sluizen verder. Dat zijn sluizen die alweer naar beneden gaan. Dat gaat veel rustiger en samen met de Duitser verlopen deze vlotjes. De Duitser vaart door, maar wij gaan aan een jetty liggen. Er is hier zelfs een douche gebouwtje. Wij besluiten om een extra dag te blijven liggen en die te besteden aan een wandeling.





Naar Craobh

Wat gaan we verder doen? Terug door het Caledonisch kanaal of toch verder. De weersverwachtingen maken het een puzzel om de tocht zuidwaarts richting de Ierse Zee te vervolgen. Na rijp beraad willen we vooralsnog toch door.
We hebben voor het vervolg van de reis onze zinnen gezet op Craobh (spreek uit als het Engelse ‘groove’). De tocht erheen is enigszins avontuurlijk (Johan gebruikte liever het woord irritant). De nog steeds op het waterniveau hangende bewolking zorgt voor matig zicht en om de haverklap intensieve motregen.






Er was westenwind beloofd, maar dat werd zuidwest. Wind on the nose! En het is uiteraard heel koud. We hebben stukjes kunnen zeilen, maar het meeste werk moet de motor toch weer doen. De navigatie moet heel zorgvuldig, omdat er vele gevaren net onder water op de loer liggen. We hebben natuurlijk gezorgd dat we met stroom mee varen en dat is maar goed ook. Op sommige stukken hebben we bijna vijf knopen stroom mee. De boot zou hier tegenin varend stil liggen. Het water is in deze stukken erg onrustig, als een snelstromende rivier. Het kost daarom de nodige stuurmanskunst om de boot veilig langs de eilandjes en rotsen te loodsen. Achter de kaartplotter geeft Joke de koersen op en Johan concentreert zich om de boot op de juiste koers te houden ondanks de soms flinke golven en kolkende stroming.






Na 38 mijl komen we aan in de haven van Craobh en krijgen via de marifoon een box toegewezen. Tijd voor een welverdiende warme douche. We blijven nog een dag liggen. Het is hoog tijd voor huishoudelijke klussen en een grondige controle van de boot. De schroefas afdichting vergt een beetje onderhoud, de motor wordt gecontroleerd, de accu’s gechecked en nog het een en ander. In de komende tijd gaan we enkele serieuze tochten varen met heftige stromingen en daardoor mogelijk behoorlijk wild water. We willen graag dat de boot goed voor ons zorgt, dus moeten wij ook goed voor de boot zorgen.



Het plan is om door het Crinan Canal te gaan en zo één van de heftige stukken water (rond Mull of Kintire) te vermijden. Morgen gaan we naar de ingang van dat kanaal. Het zou het meest pittoreske Schotse kanaal moeten zijn, dus we zijn benieuwd naar wat de komende dagen ons gaan brengen.

Puffin expeditie

Donderdag is er niet veel wind, de Puffin expeditie gaat door! We schepen in op een rondvaartboot, een stevige catamaran met twee motoren. Die boot moet tegen een stootje kunnen, want we gaan naar de oceaanzijde van Mull waar de oceaandeining bijna ongehinderd binnen komt rollen. Dat is ook nu te merken: de forse deining (de gangbare nautische term is swell) van de wind van gisteren rolt nog stevig door. We varen vanaf Tobermory naar twee eilandjes, Staffa en Lunga. We zien bij vertrek direct al een aantal dolfijnen en zeehonden zwemmen.

We gaan eerst naar Staffa. Dat eiland is interessant door de geologisch bijzondere rotsen. Enorme kliffen van zo’n 100 meter hoog lijken te worden gedragen door rijen met lange pilaren van basalt. De boot meert aan in een heel lastig te bereiken haventje. Tussen vele rotsen onderwater door en heen en weer geslingerd door de swell en ook nog eens met een dwars inkomende getijdenstroming wachten ze buiten even af. Op een geschikt moment geeft de schipper een dot gas en lanceert hij de boot naast de pier waar de bemanning snel een lijn uitbrengt.





We mogen een uurtje op Staffa wandelen en klimmen. Het weer is redelijk, maar de bewolking is zo laag dat deze rond de toppen van het eiland hangt en soms bijna op zeeniveau.


De boot was onderwijl een stukje buitengaats voor anker gegaan. Na een uurtje arriveerden ze weer en gingen we aan boord voor de tocht naar Lunga. Als de boot achteruit het haventje uitvaart is het even schrikken. Opzij gegooid door swell en stroming raken ze met de linker achterzijde een rots die net onderwater ligt. Als de boot weer vooruit vaart komt ie gelukkig los, maar we voelen het onmiddellijk: de bakboord schroef is beschadigd en is uit balans. De boot trilt enorm als ze de motor aan die kant te veel gebruiken. We hebben geluk, de boot is niet lek. Dus besluit men de rondvaart wel te vervolgen, wat langzamer varend waarbij de stuurboord motor het meeste werk doet.

De landing op Lunga gaat beter. Daar is een kolonie van ongeveer 3000 puffins (papegaaiduikers). Door klimaatverandering en overbevissing is het inmiddels een bedreigde diersoort. Deze vogels broeden tussen mei en half augustus, daarna vertrekken ze weer en verblijven op de Atlantische Oceaan.



De bezoekende mensen ervaren ze merkwaardig genoeg niet als bedreigend, omdat onze aanwezigheid als toeschouwers de natuurlijke vijanden weghouden. Zo lang we een meter of twee afstand houden vinden ze het best. Je ziet dat iedereen zich met respect voor de puffins gedraagt. We kunnen hun gedragingen heel goed bestuderen. De nesten zitten in modderige holen in de grond.










Het is bijzonder om te zien dat ze met een mond vol visjes komen aanvliegen en feilloos hun eigen hol kunnen vinden, waar ze het jong voeden (ze leggen één ei per seizoen). Het dampige weer helpt ons, omdat de puffins daardoor meer op het eiland blijven. Ze kunnen beter jagen met helder weer. Dit is echt een hoogtepunt van onze Schotse avonturen!


















Als we vele tientallen foto’s hebben geschoten gaan we weer aan boord van de rondvaartboot. Men laat deze keer zo veel mogelijk mensen op een tweede boot stappen, om onze gehandicapte boot een beetje te ontzien. Wij blijven lekker op de eerste boot, omdat het zo langer duurt voordat we terug zijn. Met meer kans om zeeleven te zien! We komen nog langs een aantal zeehonden die op rotsen liggen en zien nog wat dolfijnen. Achteruit is in het kielzog van de boot duidelijk te zien dat de bakboord motor slechts langzaam meedraait.






Het gaat allemaal goed en we komen rond een uur of vijf weer aan in Tobermory. We eten in een restaurantje en roeien met de bijboot voldaan weer terug naar de aan een mooring liggende Beluga.


Naar Tobermory

Als je hier vaart, heb je niet alleen met het sterk veranderlijke weer te maken, maar ook met de getijdenstromingen. Die keren ongeveer elke zes uur om. De tocht naar Tobermory is 25 mijl, zo’n 5 uur varen. Om het hele stuk stroom mee te hebben, moeten we dus met het begin van de tijkentering gaan varen, dat moment valt dinsdag rond 05.00 uur. Het is even slikken, maar als je eenmaal vaart gaat het verder wel.






We ontbijten onderweg en de voorspelling van niet al te veel wind on the nose komt uit. Het is weer motoren, maar om 9.30 uur komt Tobermory al in zicht. Dit ligt grotendeels verscholen in een baai, met daarvoor een eilandje (Calve Island). Het is daarom vrij veilig om hier te liggen, beschut tegen de meeste windrichtingen. Tobermory heeft een leuk kleurrijk havenfront. Je kan aan een pontoon liggen, maar wij kiezen voor een mooring. Dat is met het toch wel golvende water een stuk rustiger (en goedkoper).

We blazen de bijboot op en roeien naar de kant. Nadat we ons hebben aangemeld, wandelen we omhoog en weer terug naar de straat langs het water.





Er zijn leuke winkeltjes en er is zelfs een strandje. De zon schijnt en het is zowaar lekker om hier even rond te hangen en een lekker hapje van de bakker op te peuzelen.





We hebben ons op Kerrera al opgegeven voor een leuke vaartocht naar twee eilanden waar onder andere puffins (papegaaiduikers) voorkomen. Dat is ons hoofddoel hier. Met een vooruitziende blik op het weerbericht hadden we al besloten om ons niet voor woensdag aan te melden, maar voor donderdag. Woensdag waait het heel hard. De expeditieboten zijn niet zo groot en eenmaal om Mull heen gevaren, is er nog maar heel weinig beschutting tegen de stormachtige Noord Atlantische oceaan. Het blijkt dat ze woensdag inderdaad niet zijn uitgevaren. Met de wind loeiend door de verstaging liggen we te draaien achter onze mooring, Het regent en het is heel koud. We besluiten om er een lui dagje van te maken, met af en toe de kachel aan. Fingers crossed voor morgen, dan zou het beter weer moeten gaan worden!


Kerrera

Na de late aankomst op vrijdagavond melden we ons de volgende ochtend bij de havenmeester van Kerrera Marina. Het plan is om hier nog twee keer te overnachten. De havenmeester onderhoudt ook een veerdienst naar Oban met een kleine ferry die maximaal 12 personen kan vervoeren. We boeken de ferry van 14.00 uur en om 18.15 uur weer terug. We wandelen (of liever gezegd: klimmen) in Oban naar de hoog gelegen McCaig’s tower. Dit is een merkwaardig bouwwerk uit de 18e eeuw. het lijkt sprekend op een kleine versie van het Colosseum. McCaig wilde zowel de plaatselijke metselaars in de winter aan het werk houden als voor zichzelf een soort permanent aandenken achterlaten. De ringvormige muur is na zijn dood afgebouwd, maar de verdere invulling is nooit van de grond gekomen. Je hebt hier een prima uitzicht over de Kerrera Sound, het water tussen Oban en Kerrera.












We lopen nog wat rond en bekijken leuke winkels. Natuurlijk inclusief whiskey shops. In één van die shops brandt de open haard en kan je whiskey proeven als je dat wilt. Johan ontdekt in een andere winkel een whiskey die erg “smokey” zou moeten smaken en kan de verleiding niet weerstaan om die maar aan te schaffen.












Het plan was om zondag op Kerrera te wandelen, maar daar stak het weer een stokje voor. Het is koud (gevoelstemperatuur 9 graden), regenachtig en het waait heel hard. We zetten in de boot een paar keer de kachel aan om de temperatuur binnen een beetje op peil te houden. Als je rondkijkt op de foto’s lijkt het alsof het bijna altijd zonnig is. In werkelijkheid regent het vrijwel elke dag, soms blijft het grijs, soms klaart het op. We hadden dat natuurlijk wel ingecalculeerd. De wintertruien doen goed dienst hier! Het weer steekt ook een stokje voor het plan om maandag naar Tobermory op het eiland Mull te varen. Dat is recht tegen de wind, maar het waait maandag heel hard (“welcome to Scotland, wind on the nose” van onze buurman in Whitby is onze lijfkreet geworden).

We besluiten om onze uitgestelde wandeling op Kerrera te maken. Het is een eiland dat zo’n 64 bewoners heeft. Men houdt vee, wat hier een heerlijk leventje heeft en alle ruimte om te grazen. De hoofdweg is een stenig pad met kuilen, met regelmatig een hek om het vee binnen te houden. We proberen eerst een soort public footpath te volgen, dat veelbelovend met een klaphekje begint. Het pad wordt uiteindelijk steeds smaller tussen heuphoge beplanting en loopt uiteindelijk dood. We proberen naar links te gaan maar komen in moerassig land terecht. Rechts lukt wat beter, totdat we weer drassig land en water ontmoeten. Verderop rijden drie jongens met een kar. Dat ziet er hoopvol uit. We roepen waar we heen kunnen. In bijna onverstaanbaar Schots ontcijferen we tenslotte dat “there is a wee bridge”. Een klein bruggetje? Ah, daar zien we een plank waar we overheen kunnen.















Nadat we weer op de “weg” zijn beland lopen we nu door naar de farmshop. We ontmoeten onderweg een heel lief uitziende kat met een mooie vacht. In de farmshop hebben ze wat souvenirs, zuivel en vlees van lokaal vee. Op een briefje staat “Apolopies if there are no eggs. The hens have a hard time keeping up with the demand”. Er is niemand. Je moet de aankopen in een schriftje schrijven en contant geld in de “honesty box” doen. Mensen hebben hier nog vertrouwen in elkaar. Joke moet heen en weer naar de boot voor de portemonnee. Johan wacht daarop en ziet lieve poekie met een konijntje in zijn bek lopen. De natuur gaat hier lekker zijn gang, waarschijnlijk zoals het al honderden jaren gaat. In harmonie met de omgeving en duurzaam. Eenmaal in de farmshop gaan we voor een Highland Cow koekje en runderhamburgers. Terug op de haven kunnen we met enige moeite de havenmeester te pakken krijgen en we krijgen toestemming voor nog een extra nacht. Het blijkt dat hij enkele lokale boten moet verplaatsen om ruimte te maken, omdat er vrij veel jachten arriveren. De hamburgers smaken ongelofelijk goed!








Change of day-plan

Het laatste deel van het Caledonisch kanaal ligt voor ons. We beginnen om 9.00 uur met de sluis van Gairlochy. De sluismeester komt klokslag 9 uur met een auto aanrijden, omdat hij wegens personeelstekort meerdere sluizen en bruggen moet bedienen rijdt hij ook mee naar de volgende draaibrug.



Vanuit Gairlochy zijn er nog wat bruggen en dan komt de grote Neptune’s Staircase. Deze bestaat uit een rij van maar liefst acht sluizen, waarmee in één klap een groot deel van het hoogteverschil met zeeniveau wordt overbrugd. Dit kost zo’n 90 minuten. Via de marifoon vernemen we dat er om 14.00 uur een sluisbediening start.



Dankzij de hulp van een Zweedse dame van een andere boot die we eerder hadden ontmoet, verloopt Neptune’s Staircase redelijk relaxed. Zij neemt meestal de achterste lijn voor haar rekening om mee naar de volgende sluis te lopen. Joke doet weer de voorste lijn. De sluis ligt niet al te vol. Na de laatste sluis van de Staircase moeten we wachten voor de spoorbrug die er direct naast ligt. De reden is dat de beroemde Harry Potter stoomtrein eroverheen rijdt.






Het eerste plan was om voor de Staircase te overnachten, daarna dachten we tussen de Staircase en de volgende sluis te overnachten. In de Staircase rijpte het plan om toch weer naar zee te gaan en daar voor anker te gaan. Vervolgens besloten we om toch maar in één keer door te gaan naar Oban, zo’n 28 mijl vanaf de zeesluis. De zeesluis gaat alleen open tussen twee uur voor en twee uur na hoog water, dus de stroom zou na een tijdje mee moeten gaan lopen als we richting Oban gaan.

Er volgt nog een dubbele sluis en tenslotte de zeesluis. Zo hebben we vandaag maar liefst 12 sluizen gehad vanaf Gairlochy. In de laatste sluis leveren we de sleutel van de “facilities” in en zo belanden we rond 17.00 uur plotseling weer op zout water.

















We hadden de zeekaart al bestudeerd en Joke zet nog snel een route in de kaartplotter. Ze maakt ook een hapje eten, zodat we na de lange inspannende dag er nog een paar uur tegen kunnen. De stroom loopt nog een beetje tegen, maar we verwachten dat dit snel zal draaien. Dat beetje tegen wordt heel veel bij een nauwe doorgang na een mijl of zeven. We krijgen zo’n 4 knopen stroom tegen, terwijl we een kabelferry moeten passeren. Het was al slack (tijkentering), maar daar trekt het zich in zo’n flessehals niets van aan. Uiteindelijk worstelen we ons erdoorheen.



Vanaf dat moment gaat het tij keren en krijgen we steeds meer stroom mee. Halen we Oban op tijd? We overwegen nog om een ankerplaats op te zoeken. Het nadeel daarvan is dat het momenteel vrijwel windstil is terwijl morgen het juist hard gaat waaien. Uiteraard is het dan weer wind on the nose. We rekenen uit hoe hard we moeten gaan, zetten de motor een tandje bij en besluiten door te gaan.

Het is nodig om voldoende snelheid te maken, want we willen voor donker in Oban arriveren. Onderwijl genieten we van een bijzondere sfeer op het water. Een grote regenbui voor ons splitst zich en trekt links en rechts voorbij en trekt achter ons weer samen. Ben Nevis verdwijnt helemaal uit zicht en de bergen achter ons krijgen een mysterieuze sfeer, met mist en laag hangende wolken.






Twee dolfijnen die vlak naast de boot uit het water opspringen maken het bijzondere moment compleet!



We navigeren door nog een paar nauwe doorgangen. De bootsnelheid loopt daar fors op, maar het blijft allemaal goed beheersbaar. De zon gaat (achter de donkere regenwolken) rond 22.15 uur onder. Een kwartier later, bij het laatste daglicht, arriveren we in Oban.



We pikken een visitor mooring op in de jachthaven van Kerrera. Dat is het eiland aan de overkant van Oban. In Oban zelf zijn maar weinig overnachtingsplaatsen voor jachten (en met 3,20 pond per meter bootlengte nogal prijzig voor onze 13 meter). We hebben genoten van de sprookjesachtige sfeer en zijn trots dat we het veranderende plan goed hebben uitgevoerd. Tegen 23.00 uur maken we nog een fles wijn open en vieren dit met een glaasje en een chipsje. Het Caledonisch kanaal was geweldig en dit was voor ons een perfecte afsluiting van dat avontuur. We hebben nu een paar dagen rust verdiend en gaan ons beraden op het vervolg van de reis aan de westkust van Schotland.


Mooi, mooier mooist.

Het is druk in Fort Augustus. Er liggen woensdag veel boten klaar voor de sluis, waar er maar 6 tegelijk in kunnen. De sluismeester komt wederom langs om instructies te geven. Ze schutten in de 5-traps sluis twee ladingen tegelijk, met één sluis tussenruimte. We liggen weer heel krap, dit maal met slechts een halve meter voor en achter.














De boot achter ons wordt door een solozeiler bemand. Gelukkig vraagt hij hulp van een Zweeds jacht die wel een mannetje kan missen. Met vier lijnen naar allerlei lieren op de boot heeft hij het wel heel slim ingericht om zonder problemen door de sluizen te komen (en tevens Arie, onze windvaan niet te raken). Later maken we een praatje met hem. Hij is met deze boot uit Australië gekomen!
Na nog wat bruggen en sluizen komen op Loch Oich.







Dit meer is het hoogste punt (ongeveer 32 meter boven zeeniveau) en is niet zo diep. Het heeft een paar mogelijkheden om halverwege te ankeren of af te meren. We vinden weer een kleine jetty waar al een Frans jacht ligt en later nog een huurboot komt aanvaren. Met z’n drietjes liggen we lekker rustig in weer een prachtige omgeving.

We wandelen wat rond en zien een kasteelruïne en een kasteelhotel met prachtige tuinen eromheen. Het regent regelmatig, maar ook laat de zon zich zien. Dat leidt tot een bijzondere regenboog, die voor de bergen aan de overkant tot bijna in het water komt.









Vrijdagochtend liggen we alleen aan de jetty en genieten van de dromerige sfeer met laaghangende bewolking. De buren zijn al weg, dus liggen we alleen.



We besluiten om in het hotel een morning coffee te gaan halen.
We zitten daar in een prachtige kamer met uitzicht op het meer. Hier zouden we het wel een poosje uithouden! De medewerker van het hotel vraagt nog of we die regenboog van gisteravond hebben gezien. Hij zei dat het fenomeen erg zeldzaam is.









Tegen elf uur wandelen we terug naar de boot en varen de tweede helft van Loch Oich af en via een brug en een sluis komen we op Loch Lochy. Dit meer is net als Loch Ness vrij lang. De bergen aan weerszijden worden steeds hoger, tot ruim 900 meter.













We krijgen uitzicht op de hoogste berg van Schotland, Ben Nevis van 1345 meter hoog. Er ligt zelfs nog wat sneeuw op de top. Dit is de laatste halte voor het einde van het Caledonisch avontuur. We meren af aan een Jetty voor de Gairlochy sluis. Hier is ook weer een gebouwtje met douches, toiletten en een wasmachine. Aangezien we bijna naast het gebouwtje liggen, doen we na een wandeling in de omgeving gelijk maar weer eens de was en werken ook de blog bij. We krijgen gezelschap van een Zweedse boot en hebben weer een gezellig gesprek.