Van Bequia naar St. Lucia

We blijven het weekeinde nog in Bequia. Ten eerste heeft dat eiland een beetje ons hart gestolen en ten tweede moeten bij het uitklaren anders overtime betalen

(dat laatste is uiteraard van ondergeschikt belang voor Hollanders). Het is vanaf Bequia tegen de wind niet goed mogelijk om in een keer langs St. Vincent naar

St. Lucia te varen. De afstand is daar te lang voor. Dus hadden wij een slim plan bedacht. We klaren uit in Bequia, lekker gemakkelijk in een efficient

kantoortje. De uitklaring geldt voor 24 uur, dus als we een tussenstop maken in Wallilabou Bay op St. Vincent en we vertrekken van daar uit naar St. Lucia dan

zijn we nog steeds legaal bezig.

Dat plannetje was echter iets te slim, zo bleek al gauw. Er lag een passagierschip van Club Med in Bequia. Die loosde sloepen vol passagiers af op de

aanlegsteiger (de jetty). De customs officer klaarde ons uit, maar voor de paspoorten bleef het hekje voor het kantoortje ernaast geloten. De immigration

officer was aan het stempelen op de jetty. Dus moesten we wachten. Het duurde een half uur (caribische tijd) en een Amerikaan werd steeds bozer en ijsbeerde

zowat de tegels uit de vloer. Hij zou het wel eens met de Prime Minister opnemen. Enfin, na een poosje kwam dan eindelijk de immigration officer en kregen we

ons exit stempel in de paspoorten.





We gingen onderweg naar St. Vincent en kwamen na een erg fraai zeiltochtje over vlak water aan in Wallilabou Bay.
Binnen de kortste keren hadden we een stuk of vijf boatboys (of liever gezegd boatmen, want ze waren al wat ouder) tegelijk aan de boot. We waren nog bezig met afmeren en we hebben ze zo snel mogelijk afgepoeierd.





Wallilabou Bay is de locatie waar delen van een paar films van Pirates of the Caribean zijn opgenomen.
Een aantal, inmiddels flink vervallen, onderdelen van de flimset zijn er nog steeds als een soort museumpje.





We gingen aan een mooring met een lijn naar de

verroeste palen van een ingestorte jetty. Het geld voor de mooring kregen we terug als we in het restaurant gingen eten. Een beste smoes om daar dus maar aan

toe te geven.





Het was niet al te duur en heerlijk! Overigens hadden we in Wallilabou gewoon kunnen uitklaren bij een douanebootje dan aan het einde van de

middag de baai aandoet voor dit doel. Ons slimme Bequia-plannetje was niet nodig geweest.

Naast ons aan de volgende mooring lag een zeilboot met een dame alleen. De boot was ontmast. Johan maakte een praatje en het bleek gisteren gebeurd te zijn. De

giek en de zeilen had ze nog kunnen redden, maar de mast hing op twee plaatsen gebroken en geknikt naast de boot. De uiteinden voor en achter boven water en in

het midden een meter of vijf onder water. Johan bood hulp aan en ze vroeg of we wat waardevolle spullen van de mast konden slopen, twee goede lieren en vier

maststeps bij de top.




De volgende ochtend vroeg gingen Johan, Tim en Bas aan de slag. Het lukte met enig geknoei vlak boven het wateroppervlak om alles van de mast te halen, zonder

dat er onderdelen in het water vielen. Bijna alles was klaar voor haar verdere plannen en we konden verder niets meer doen. Ze was van plan om Wallilabou te

verlaten en in diep water de mast te laten zinken en dan op de motor in etappes naar Grenada te varen voor reparatie. De Canadese dame was erg blij dat de

schade dankzij onze hulp enigszins beperkt was en was ons erg dankbaar. We namen afscheid en wensten haar het allerbeste.




Wij hadden nog altijd een mijl of 40 tegen de wind voor de boeg. De pilot schrijft over de noordkant van St. Vincent: more than a little gusty en more than a

little bumpy. Een acceleratie van de wind langs de 1000 meter hoge vulkaan en valwinden veroorzaken dit. We vertrokken met dubbel gereefd grootzeil en

kotterfok op motorzeilend hoog aan de wind. En inderdaad: het ging al gauw flink tekeer. Toen we net een beetje vrij kwamen van de vulkaan (Soufriere) liep een

squall net achter ons langs en die ook weer heel veel wind gaf. En na een uurtje liep een tweede squall voor ons langs met hetzelfde effect. Al met al kregen

we vier uur lang ongeveer windkracht 8 om onze oren.





We moesten de kotterfok zelfs half inrollen.





De afstand tussen de twee eilanden is vrij groot, en de tweede helft van de tocht kalmeerde alles ineens. Blauwe lucht en nauwelijks wind. Om een uur of vier

meerden we af aan een mooring (dat is min of meer verplicht hierzo) bij het stadje Soufriere op St. Lucia. De zuidelijke helft van St. Lucia is helemaal tot

nationaal park verklaard met bijna overal een verbod op ankeren, of met strikte restricties. We willen op St. Lucia wel het een en ander gaan bekijken en

denken een weekje te blijven.







Weer op Bequia

We zijn weer terug op het eiland Bequia. Het is heerlijk om op bekend terrein te zijn. Als we boodschappen doen, kunnen we snel ons lijstje afwerken. We weten precies waar we moeten zijn, Tim weet zelfs de juiste gangpaden meteen terug vinden. Het is een heerlijke baai, Beluga ligt nu dichter bij het stadje en het is een stuk rustiger dan eind december.
Na een paar dagen kunnen we Jack’s bar niet meer weerstaan, we liggen er bijna naast, en gaan een superlekkere cocktail halen.





Als de alcohol zijn werk heeft gedaan, zegt Johan (onze kok) dat hij nu echt geen puf meer heeft om te koken. De rest is het er helemaal mee eens, we gaan linea recta naar Tommy’s en genieten daar in het restaurant van een heerlijke maaltijd met voorgerecht en toetje en uitzicht over de baai waar net de zon is ondergegaan. Af en toe ons zelf verwennen is zo gek nog niet.
De andere dagen doen we klusjes, de motor wordt gecheckt. Johan verbaast zich erover dat er totaal geen water in de bilg staat. Arie, de windvaan, wordt gecontroleerd en met WD40 behandeld. De vlag is een aantal keren blijven haken en wordt hersteld. Aan het eind van de middag plonzen we in het water en genieten ook hier van de visjes en het koraal. We zien zelfs nog een voor ons nieuwe vis, de Flying Gurnard die een soort vleugels uitvouwt tot een complete waaier als Tim of Bas in de buurt komt.
Na een paar heerlijke dagen hier, gaan we morgen naar St. Vincent en daarna naar St. Lucia.
Met weemoed zullen we afscheid nemen van de Grenadines, een geweldig vaargebied.

Moois onder water

De twee duiken die Tim en Bas hebben gemaakt waren erg mooi. Ze zijn via de dinghy pass door het Horseshoe reef gegaan voor de eerste duik, de tweede duik deden ze in het

riffengebied ten oosten van Mayreau. Het heet daar Mayreau Gardens, met grote onbeschadigde koraalriffen en prachtig onderwaterleven.








Zondag is de wind erg rustig, een mooie gelegenheid om op het Horseshoe Reef zelf te gaan snorkelen. Met de bijboot varen we een paar honderd meter voor de

boot. Dicht achter het rif zijn kleine moorings aangebracht, speciaal voor bijbootjes.










Dit voorkomt dat men met een klein ankertje de bijboot vastlegt en zo het rif beschadigt. Goed om te zien dat St. Vincent de natuur hier serieus neemt en

zijn best doet het gebied open te stellen voor publiek terwijl de natuur zo ongestoord mogelijk blijft. Een aantal jaren geleden heeft hurricane Lenny hier

huisgehouden, wat veel schade heeft toegebracht aan het rif. De natuur heeft zich gelukkig behoorlijk hersteld. We zien heel veel levend koraal in de meest

fantastische vormen en kleuren. Duizenden vissen zien we aan onze maskers voorbij trekken. Hoe langer je kijkt hoe meer je ziet. Na de lunch vinden we dat we

nog lang niet zijn uitgekeken, dus gaan we weer naar een ander stuk van het rif. In ons engelstalige boekje “Reef Fish” proberen we zo veel mogelijk vissen te

identificeren.




























Maandag willen we nog geen afscheid nemen. We gaan weer naar het rif en opnieuw ontdekken we veel moois. ’s Middags gaan we nog het eilandje Petit Bateau

verkennen. Het heeft een mooi strand en aan de zuidkant weer veel koraal met grote scholen vis.











Het wordt tijd om verder te gaan kijken. We zijn tevreden over onze ontdekkingstochtjes in de Tobago Cays. Dinsdagochtend maken we de boot klaar en varen we

een kort stukje naar Saltwhistle Bay op het eiland Mayreau. Dit hoort ook bij het nationaal park. Het eilandje is bewoond en heeft pas sinds een paar jaar

elektriciteit. De baai is vrij klein en ligt vol met moorings. Er is alleen achterin ruimte om te ankeren, maar daar loopt een veel te grote deining de baai

in. Wij kiezen voor een mooring in de rustige noordhoek van de baai. We liggen achter een smalle strook land met palmen en aan beide zijden een strand. Aan de

overkant kijken we uit op de branding die aan de windzijde breekt. Aan onze kant is het een rustig strand met wel een flinke swell die het landen met de

bijboot een beetje lastig maakt. In de loop van de dag komen steeds meer boten, vooral catamarans, binnen. Aan het einde van de dag is alles bezet. We

wandelen wat langs het strand aan de oostkant van het eiland en maken op de terugweg vanuit de bijboot een praatje met de bemanning van een andere Nederlandse

boot, de Cedo Nulli.




Het strand loopt langs de hele baai door. Aan de zuidkant is een steigertje waar je met de bijboot kan landen. Je moet de bijboot met een ankertje van de

gammele steiger afhouden, anders wordt hij door de golven steeds tegen het hout en beton gekwakt. Een paar stappen over het strand is een terras, waar we een

sundowner drinken. Bas en Johan nemen een stevige rumpunch, Joke en Tim een fruitpunch. We besluiten dat we hier blijven eten. Bas heeft de moed om een

lobster te nemen. De eigenaresse van het restaurant laat zien hoe je deze moet eten. Het smaakt allemaal prima.










Woensdag gaan we te voet naar het dorpje dat boven op de heuveltop van Mayreau ligt. Achter de kerk is een plek waar je een prachtig uitzicht over de Tobago

Cays hebt.














Verder naar het zuiden zien we alle eilanden tot en met Grenada. Bij een klein supermarktje kopen we wat brood en koele frisdrank. Als we terugroeien maken

we nog een praatje met de bemanning van de Mare Liberum, ook weer een Nederlandse boot.

Mayreau ligt is het punt van onze reis dat het verst van Nederland ligt. We hebben 5280 mijl (een kleine 10.000 kilometer) gevaren om hier te komen. We besluiten dat we vanaf hier rustig aan noordwaarts gaan scharrelen. Er is daar ook weer veel moois te ontdekken. Morgen willen we het eerste stukje doen, hoog aan de wind zal het afhangen van de voortgang die we kunnen maken hoe ver we gaan. Voorlopig denken we aan korte tussenstops op Bequia en St. Vincent om vervolgens naar St. Lucia te gaan. Na gezamenlijk overleg hebben we besloten dat we de boot willen terugzeilen naar Nederland. We hebben daarom tot eind april de tijd om op Sint Maarten (of een ander goed vertrekpunt) te komen, dus nog een flinke ontdekkingsreis voor de boeg.

— Verstuurd via Iridium, 16/01/2013, Saltwhistle Bay, Mayreau

Vanuit Canouan de Tobago Cays in

We blijven een paar dagen langer op Canouan dan gepland. Er staat erg veel wind, kracht 6 tot 7. De passaat is normaal gesproken best stevig, maar is dit nu
normaal of is het echt veel? Het is bovendien wel heel erg buiig, elke nacht giert de draaiende wind om de boot. Locals zeggen “the weather is crazy”.





We wachten toch liever af tot de wind naar 5 tot 6 terugzakt. We wagen het er dan maar op, we gaan de Tobago Cays in. Tegenwoordig heb je veel steun aan de

GPS en de kaartplotter, maar het blijft opletten om hier goed in te komen. Onverwachte ondiepten (coral heads, oftewel koraalkoppen) komen veelvuldig voor.

Achteraf horen we dat het hier vrijwel uitgestorven was met die harde wind, zelfs de boatboys hadden Union Island als handelsgebied uitgekozen. Onze strategie

om iets rustiger weer af te wachten was dus correct. Een opsteker voor het zelfvertrouwen.




De Tobago Cays zijn een aantal eilandjes die ten oosten van het iets grotere eiland Mayreau liggen. Vier kleine onbewoonde eilandjes met witte droomstrandjes

liggen achter een halfrond koraalrif, het Horseshoe Reef. Op dat rif breken de grote Atlantische golven. Wij ankeren ongeveer 300 meter achter het rif. Je

ligt vol in de wind, maar beschut voor de golven. Even verderop langs de zuidoostelijke kant ligt nog een rif (Worlds End Reef) met een klein eilandje, Petit

Tabac. Ver voor ons zien we nog een rots uit zee steken met de naam Sail Rock. Daarachter alleen de open oceaan. De vier eilandjes heten Petit Rameau, Petit

Bateau, Baradel en Jamesby. Wij liggen net ten zuiden van Baradel. Achter ons zien we Mayreau, met ten zuiden daarvan Palm Island en Union Island. Weer wat

verder zuid zien we Petit St. Vincent en Petit Martinque. Ze hielden in het verleden kennelijk van de “Petit-namen”. Het gebied is een nationaal park en je

moet hier 10 EC-dollar per persoon per dag betalen om hier te mogen blijven. We hebben daar alle begrip voor.





Als we net voor anker liggen zien we plotsklaps de Doen varen. Ze ankeren vlak naast ons. Wat leuk om Thijs en Marijke weer te zien, voor het eerst sinds La

Palma. We vieren het met een drankje bij ons aan boord.





De volgende dag, donderdag 10 januari, gaan we op verkenning. Er staat nog steeds erg veel wind en een korte golfslag, dus zitten we met zijn vieren in ons

bijbootje niet echt droog. Dat is niet zo erg, want we gaan toch snorkelen. Ons eerste doel is Jamesby. Een echt Robinson Crusoe gevoel krijg je hier. We

klimmen omhoog en hebben een mooi uitzicht.















Wat is het hier mooi. Het water kleurt blauw en turquoise in alle mogelijke schakeringen. Groen-bruine plekken geven een plek met zeegras aan, of een

koraalkop. We zien schildpadden om ons heen zwemmen.

Snorkelend vanaf het strand zien we al gauw koraal en allerlei vissen in vele kleuren. Een grote Porcupinefish (we hebben alleen een Engelstalig boekje om de

namen op de zoeken) verschuilt zich in een hol onder het koraal. We zien drie roggen, een in het zand verscholen en twee kleinere zwemmen voor ons uit. Je

raakt hier niet uitgekeken. Het lukt om veel moois onder water te fotograferen.




















Later is het een hele kunst om van Jamesby weg te komen in de stevige branding. Gelukkig help Thijs ons een handje. Aan het eind van de middag gaan we naar

het strandje van Baradel en praten gezellig met de bemanning van Doen, Ostrea, Supermolly (Duitsers), Felicia (Noren) en nog een aantal boten. Marijke had

pannenkoeken gebakken en van Pieter van de Ostrea kregen we een glaasje rumpunch.

We zijn nog lang niet uitgekeken. Vrijdag gaan we op Turtle expeditie. Ze schijnen het meest rond Baradel voor te komen. We hangen de bijboot aan een

boeienlijn die is uitgelegd om het schilpad-gebied vrij te houden van ankerende boten. Je mag hier wel snorkelen. Al gauw zien we de ene na de andere

schildpad zwemmen. Ze bewegen heel statig en kalmpjes voort. Af en toe gaan ze naar de oppervlakte om adem te halen. Op de bodem eten ze wat zeegras. Wat mooi

om dit gewoon dicht bij je eigen boot te observeren.











’s Middags gaan we eens een koraalkop ongeveer 100 meter voor de boot bekijken. Ook hier zien we weer een kleurrijk onderwaterleven. Allerlei vissen, wuivende

planten en koraal zien we door onze snorkelmaskers. Het stroomt wel erg hard. Het is hoog water, dus de branding verderop spoelt extra veel zeewater over het

rif. Dat water stroomt achter de riffen oostwaarts weer weg.








Zaterdag gaan Tim en Bas duiken. We hebben gisteren de afspraak via de marifoon gemaakt en ze komen Tim en Bas aan boord afhalen. De Supermolly en de Felicia

gaan richting de Pacific. De Doen en de Ostrea zijn al veel langer in dit gebied en gaan verder noordwaarts. Wij blijven nog een paar dagen. We hebben nog een

aantal verkenningstochten op het programma staan.

— Verstuurd via Iridium, 12/01/2013, Tobago Cays

Door naar Canouan

We blijven een nacht in Friendship Bay op Bequia. De volgende ochtend gaan we ankerop, hijsen het grootzeil en varen tussen de ondieptes door de baai uit. Eenmaal buiten zijn we spoedig onder zeil, halve wind voor Petit Nevis langs. De bestemming is Canouan. Het wordt een mooie zeiltocht, die Johan helemaal op de hand stuurt, gewoon omdat het leuk is. Onderweg zien we een heleboel eilandjes en grote rotsen, je hebt er een stuk of 14 in zicht. Links naast ons is Mustique, een prive-eiland waar beroemdheden zoals Mick Jagger en Raquel Welch een huis hebben. Jachten zijn welkom, maar zijn verplicht om aan een mooring te liggen. We hebben besloten om het (letterlijk) links te laten liggen, het klinkt ons toch iets te Jet-setterig in de oren. Halverwege komen we langs Petit Canouan, een eenzame rots begroeid met wat planten. Vlak bij Canouan gebeurt er ineens een heleboel tegelijk.





We hebben op Bequia nog wat aas en visgerei gekocht. We gooien een soort kunstmatig inktvisje uit aan de lijn. Het wordt vlak onder het oppervlak meegetrokken. Ineens zien we geruk aan de lijn: we hebben beet! Terwijl Tim de lijn binnen haalt en een beetje knokt met de vis maakt Bas zich klaar om de vis beet te pakken. We kregen van Oceanpeople ooit de tip, dat een beetje goedkope sterke drank in de kieuwen goed werkt om de vis snel en humaan te doden. Johan stuurt, dus Joke krijgt de dubbeltaak om foto’s te maken en de goedkope whiskey te pakken. Als de vis boven is, pakt Bas hem bij de staart. Joke dient de whiskey toe en dat lijkt vrij snel te werken. Nog een paar tikken op de kop voor de zekerheid en we doen de vis in de puts en zetten hem in het gangboord.





Onderwijl kwamen we een paar boten tegen die, op zijn zachtst gezegd, hardnekkig op ramkoers bleven liggen. Twee squalls liepen kort voor ons langs en hulden Canouan in de regen. De wind nam behoorlijk toe, dus het sturen en ontwijken van de ramkoers-sukkels vergde enige aandacht. We minderden zeil en moesten ook nog op de koers blijven letten om Charlestown Bay goed aan te lopen. En dat alles terwijl de operatie “help we hebben een vis gevangen” moest worden uitgevoerd. Links en rechts van de ingang van de baai liggen riffen, met bakens die er zowaar nog staan ook. In de stevige wind lopen we de baai aan, strijken tussen de bakens de zeilen en varen op de motor binnen.

Het is een langgerekte baai. Van iemand die zich voorstelt als Iceman krijgen we de mogelijkheid om een mooring te nemen, maar als je zegt dat je gewoon wil ankeren dan is het ook prima. We laten de vis zien en vertellen trots dat dit onze eerste vis is. Iceman klapt in zijn handen en feliciteert ons en zegt dat het een Barracuda is, die je heel goed kan eten. We ankeren ongeveer 150 meter voor het strand van het Tamarind Beach Hotel en steken ruim 25 meter ketting op een diepte van vijf meter.

Ok, we moeten nu aan de bak. De vis is 62 centimeter lang en heeft een bek vol scherpe tandjes. Daar moet de haak uit. We pakken een uitleg erbij “hoe maak je een vis schoon” (in La Palma van de bemanning van de “Doen” gekregen). Terwijl Bas aanwijzigingen geeft en Tim veelvuldig spoelt met putsen water maakt Johan de vis schoon met onze in La Palma aangeschafte speciale schaar en fileermes. We oogsten twee lange filets die we prompt bakken. Het is genoeg voor een lunch voor vier personen. We zien hoe we een volgende keer de fileer techniek nog wat kunnen verbeteren. Al doende leert men.








De moorings liggen hier overigens niet voor niets. Canouan is niet al te hoog, dus de passaatwind jaagt met steeds afwisselende luwtes en valwinden door de baai. De eerste nacht krijgen we ankeralarm. Snel hollen we naar de GPS om de plot te bekijken en kijken naar buiten om ons te orienteren. Een later aangekomen Fransman ligt wel heel dicht bij. De wind giert om ons heen en even later valt er hevige regen. Is het anker gaan krabben? We komen tot de conclusie dat dat niet is gebeurd, de wind is pal zuid geworden en de boot is aan de 25 meter lange ketting helemaal rond gedraaid en rukt er hevig aan. De GPS constateerde daarom een afwijking van meer dan 0,02 mijl (36 meter) dus ging piepen. Na een half uur neemt de wind af en gaat liggen. Weer een poosje later draait de wind weer naar noord-oost en neemt weer snel toe. De wind giert de hele nacht om de boot, maar het 35 kilo zware “Kobra 2” anker heeft dit allemaal vlekkeloos doorstaan, zelfs de draai van bijna 180 graden in de bui en weer terug. Het water is hier azuurblauw maar niet helder. Toch lukt het Tim en Bas om de volgende dag te constateren dat het anker geen krimp heeft gegeven en diep is ingegraven.

De komende dagen blijft de passaat er erg stevig instaan, windkracht 6, soms 7 volgens de weermeting op Canouan Airport. Elke dag blijft het hard waaien en vooral ’s nachts giert de wind door de baai. We verkennen het eiland eerst maar eens en gaan wat zwemmen en snorkelen.








Johan houdt ankerwacht wegens de harde wind en Tim, Bas en Joke gaan nog een dagje snorkelen aan de andere kant van het eiland. Er ligt daar een prachtig lagoon, dat beschermd wordt tegen de hoge golven door een rif. Echter op de dag dat wij er waren, woei het stevig (windkracht 6) en er stonden hoge golven. Daardoor kwam er veel water in het lagoon, waardoor er weer veel stroming stond. Het snorkelen werd bemoeilijkt door de golven en stroming en het aantal visjes viel tegen. We durfden niet helemaal naar de rand, dus meer mooie onderwaterbeelden moeten wachten tot een andere keer.














We gaan uit eten en drinken een superdure en luxe cocktail op het lounge terras van het hotel, met zicht op ons eigen bootje dobberend in het azuurblauwe water. We voelen ons bevoorrecht en trots dat we hier zitten met z’n vieren.











We willen hiervandaan de Tobago Cays in, een open riffengebied, maar vinden het een beetje eng om dat nou net met die hele sterke windkracht met elke nacht behoorlijk extreme buiten te doen. De ruimte om daar rond te zwaaien aan het anker is daar beperkt en we willen niet op de riffen belanden. We bekijken de weerkaarten en de gribfiles, allemaal rode pijltjes. Woensdag wordt het iets rustiger, dan gaan we het wagen.

Operatie kokosnoot

Tim heeft een verse kokosnoot gevonden onderweg, de noot is vers als je de kokosmelk binnenin hoort klotsen. Terrance, onze chauffeur, haalt de buitenste schil eraf zodat de ons bekende kokosnoot tevoorschijn komt.

Terug op de boot gaan we de noot te lijf met een mes. De noot wint, want het mes wordt bot en krijgt overal braampjes op het snijvlak. Tijd voor een andere strategie. Een kokosnoot heeft bovenop drie ronde plekjes, met een kurketrekker lukt het een van de plekjes te doorboren. De jongens proeven voor het eerst kokosmelk, ze vinden het een vreemde gewaarwording en het lijkt meer op water dan op melk volgens hen.
Daarna vallen we nogmaals met het mes de noot aan, gevolgd door een zaag. Als we eenmaal een gleufje hebben, wordt de noot gespleten met het mes ertussen. Dat werkt en de noot breekt open, waarna we ons tegoed doen aan verse kokos. De dagen erna eten we nog pannenkoeken met kokos, toetje met kokos en ontbijt met kokos.

















Bij het vellen van een tweede kokosnoot (die van Petit Nevis), heeft het mes de strijd definitief verloren. Het handvat is afgebroken en het snijvlak lijkt wel opgefrommeld zilverpapier. Voor nieuwe noten wordt het dus hulp inschakelen of een beter mes kopen.

Petit Nevis

We vertrekken van Bequia naar Petit Nevis om een dagje voor anker te gaan. De baai wordt omschreven als een daytime anchorage, dus overnachten wordt ten stelligste afgeraden. Gelukkig liggen er maar twee boten, er is slechts plek voor een stuk of vier. We ankeren en gaan de het eiland verkennen. De jongens zeiden dat ze een mega-gecko zagen, het blijkt echter een leguaan van zeker een meter lang met een hoge kam op zijn rug. Hij ziet er er woest en groots uit. Hij loopt hoog op zijn poten als een kat en schiet een hoek van een vervallen gebouwtje in als hij ons in de gaten krijgt. We weten niet wie het hardste schrok, hij of wij.








Petit Nevis, hoe klein ook, heeft een historie in de walvisjacht. De vissers van Bequia jagen al eeuwen op walvissen en op Petit Nevis werden ze geslacht. Nog steeds zijn de sporen daarvan zichtbaar. Een vervallen helling waar ze op werden getrokken, ruines van hutten met grote kookpotten en wellicht hier en daar wat fragmenten van walvisbotten. Deze traditie geeft, volgens de internationale overeenkomsten, aan Bequia formeel toestemming om, tussen februari en april, maximaal vier walvissen te vangen, onder de voorwaarde dat dit nog op de traditionele wijze met open boten gebeurt. Soms vangen ze in een jaar niets, soms wel. Als een walvis is gevangen, dan worden ze tegenwoordig op de naburige Semplers Cay geslacht. Ondanks groeiende tegenstand, ook onder de locals, gaat dit nog altijd door.








Petit Nevis is leuk om te verkennen. De oude sporen van de walvisjacht zijn interessant om te onderzoeken. Aan de andere kant is een woest strand met een serie palmen. De jongens gaan op kokosnotenjacht. Het lukt om er een aantal te vinden en uiteindelijk weet Tim er eentje van de dikke schil te ondoen, zodat we alleen de noot overhouden om aan boord mee te nemen. Ook is Petit Nevis een prachtige plek om te snorkelen. Links van de boot ligt een ondiepte met rotsen en koraalrif. Snorkelend verkennen we dit uitgebreid. We zien ongelofelijk veel vissen in allerlei kleuren. Tim en Bas herkennen onder een rots een murene (zo een met van die tandjes brrrr) en een kleine haai. We zien veel koraal in de mooiste kleuren, wuivende vertakte bladeren, een soort ronde kookpotten die ook iets levends zijn. We hebben nog veel te leren in het herkennen van alle vormen van leven die hier te zien zijn. Later identificeren we in ons boekje een behoorlijk aantal vissen die we hebben gezien.







Eind van de middag gaan we ankerop en varen naar Friendship Bay in Bequia. Tussen de eilandjes door staat een sterke stroming en behoorlijke golfslag. Het water spettert tegen de rotsen omhoog. We zoeken de ingang en links en rechts van ons breken de golven op de rotsen en het rif. We zijn blij als we weer veilig achter ons anker liggen. We kijken goed uit en de kaartplotter bewijst hier goede diensten.

Bequia, ons eerste tropisch eiland

De Grenadines bestaan uit 32 eilanden, sommige slechts rotsen, andere zijn groter en bewoond. Bequia (uitgesproken als bek-wee) is het grootste eiland van de Grenadines en heeft 6000 inwoners. De hoofdstad is Port Elizabeth, maar in onze ogen is het slechts een dorp. Het is wel even wennen dat ze hier links rijden, sinds 1783 is St. Vincent en de Grenadines definitief onder Engels beheer gekomen. Nu zijn ze zelfstandig, maar nog wel lid van Commonwealth. De grootste bron van inkomsten van Bequa is toerisme.





De afgelopen dagen hebben we Bequia zowel vanaf de boot als vanaf land bekeken. Terwijl de jongens een duik gingen maken, gingen pa en ma op het terras zitten bij het bekende Gingerbread House. Je blijft je ogen uitkijken, rustig dobberende bootjes in de baai, vogel die zingen in de bomen, kleurige huisjes, relaxte mensen en overal dat prachtige azuurblauwe water.





















Om wat meer van het eiland te zien hebben we een rondrit gemaakt. Het valt de jongens op dat de chauffeurs hier veelvuldig toeteren, alleen doen ze dat niet uit agressie maar uit vriendelijkheid. Als ze een steile bocht willen nemen en de ander mag voor dan wordt er over en weer getoeterd, waarmee dan duidelijk wordt wie eerst gaat.
We hebben het oude fort gezien, met zowel Engelse als Franse kanonnen. In de 17e eeuw was het een populaire haven voor de Britse, Franse en Spaanse vloot vanwege de goed beschutte ankerbaai.








Vanaf de 240 meter hoge “The Mountain” hebben we een prachtig uitzicht op de Granadines. We zien Mustique (een prive-eiland waar beroemdheden zoals Mick Jagger een huis bezitten), Petit Nevis, Canouan en Union Island. Ons eerst volgend doel met Beluga is Petit Nevis, vanaf hier lijkt niet al te ver te liggen.








We komen langs een voormalige kokosnoten- en rietsuikerplantage Spring, waar nu een toeristisch hotel is gebouwd.
Bij de Oldhegg Turtle Sanctuary worden zeeschilpadden opgevangen van de met uitsterven bedreigde Hawksbill turtle, die alleen rondom Bequia voorkomt. De initiator is een gepensioneerde visser. Hij jaagde vroeger al duikend met speren op het onderwater leven, waaronder ook op deze turtles. Nadat hij hoorde dat er nog slechts een paar duizend voorkomen, zette hij dit opvangcentrum op. In de wintermaanden worden baby-schildpadjes van het strand gehaald, zodra ze uit de eieren zijn gekomen. Als de schildpadden 2 jaar oud zijn, gaan ze weer terug naar zee. In de baai rondom onze boot hebben we er al een aantal keer een zien zwemmen. Tim en Bas zijn er zelfs twee tegen gekomen tijdens het snorkelen. Vreemd genoeg staat de regering toe dat er zeven maanden per jaar op deze schildpadden mag worden gejaagd.














Aan het eind van de tour kunnen we nog een blik werpen op de baai waarin Beluga ligt. Het is inmiddels aardig druk geworden, veel mensen komen om Oud- en Nieuw op Bequia te vieren.





Verder besteden we onze tijd aan boodschappen doen, diesel en water tanken en de was.







Beluga in Zilt-magazine

Sinds we weer een beetje internettoegang hebben, kunnen we weer onze mail ophalen en lezen. Daarbij zagen we dat de Zilt een artikel over ons heeft gepubliceerd.
We vinden het een hele eer om in het blad te staan met ons verhaal over de storm in La Palma. We kwamen hier in de baai twee keer mensen tegen die vroegen of wij van de Beluga waren, die van die storm en dat gave filmpje. We waren al verbaasd dat de “roem” van Beluga ons vooruit was gesneld. Nu snappen we dat zij, eerder dan wij het artikel hebben gelezen.




Zoals de redactie van de al Zilt schrijft:
Drie maanden nadat een nieuwe lichting vertrekkers op pad ging, staat een grote groep zeilers aan de
vooravond van hun oversteek van de Atlantische
Oceaan. De Doen ligt prachtig voor anker voor La
Gomera, op de Zeemuis genezen ook de meest hartnekkige
kinderziektes en de bemanning van de
Beluga trotseert een laatste storm in de jachthaven
van La Palma. Hun verhalen in deze Zilt zullen ze pas
veel later lezen via een Kaap Verdiaans, Surinaams of
Caraibisch wifi netwerk met ongetwijfeld net iets te
weinig balkjes.

Nou dat van die (internet)balkjes klopt helemaal!

Het complete magazine nr. 80 is op internet te lezen, zie Ziltmagazine

Oud en nieuw in Bequia

Het is een unieke belevenis om oud en nieuw op een tropisch eiland te vieren. Het tijdsverschil met Nederland is 5 uur, dus de eerste nieuwsjaarswensen sturen wij al om 7 uur ’s avonds over de oceaan naar onze familie. We hebben gereserveerd bij Mac’s pizzeria, met de bijboot gaan we ernaartoe (we worden al half nat door de golven) en hebben heerlijk gegeten. Alle restaurants en bars zitten vol. We wandelen naar het centrum van het stadje, waar de lokale bevolking op straat feest viert met veel drank, joints en heel veel reggea-muziek.




Daarna gaan we langs het water zitten met onze voeten in het zand. Bij een van de vele bars, waar een steelband speelt, toasten wij op het nieuwe jaar met een Pina colada. Daarna barst het vuurwerk los. Dit wordt aan de overkant van de baai afgestoken, waardoor we goed zicht hebben op de prachtige kleuren en vormen.







Na nog wat geswingt te hebben op de opzwepende muziek vertrekken we weer met ons bijbootje naar Beluga. Gelukkig hebben we de kerstverlichting in de kuip aangedaan, want door de vele schepen die er liggen is ons ankerlichtje maar moeilijk te vinden.