Gave tijd in Dominica

We hebben tot nu toe al heel veel moois gezien en beleefd. Dominica is, ondanks onze scepcis vooraf, regelrecht in de top drie beland. Wat is dat een mooi eiland met sympatieke mensen.

Een aantal jaren terug werd Dominica door menig zeiler gemeden omdat de boatboys agressief en lastig waren. Dit heeft men ingezien en nu hebben ze zich georganiseerd. Zonder verdere verplichting wordt een één boatboy aan een bezoekend jacht gekoppeld, in ons geval Jack van Cobra Tours. Je wordt verder door niemand lastig gevallen. De ochtend na de barbeque (hadden we al gezegd dat die “all you can eat and all you can drink” was?) haalde Jack ons op, om op carnavalsochtend de douaneformaliteiten te regelen.





Hij bood aan om dit voor ons te verzorgen. Omdat Nederlanders, die we op de BBQ hadden ontmoet, problemen hadden om de 14 dagen geldende “in and out clearance” te verkrijgen, namen we het aanbod van Jack aan om alles voor ons te regelen.
Jack voer met ons naar de baas van Cobra Tours (Andrew “Cobra” O’Brian) en we gaven de scheepspapieren af. Jack bracht ons weer bij de boot met de afspraak dat we een kwartier later de papieren en de clearance zouden krijgen. Tevens wilden we bekijken welke tochten we over het eiland kunnen maken.

Een Caribisch kwartiertje later (vier Nederlandse uren) kwam Jack met de clearance en een map aan, waarin de tochten die Cobra Tours organiseert. We kozen de Indian River en een tocht over het noorden van het eiland. We hebben daar geen spijt van gekregen. De volgende ochtend om 07.00 uur werden we door Jack opgehaald en naar het begin van de Indian River gebracht. Omdat er in de nacht een behoorlijke swell was gekomen moest Jack tussen twee brekers vol gas de rivier op varen. Dat zouden we de eigen bijboot niet heelhuids hebben kunnen doen.

Andrew nam ons over in een roeiboot (motoren zijn op de Indian River verboden) en roeide ons ongeveer een mijl landinwaarts. Onderweg vertelde hij veel over de planten en de dieren die we tegenkwamen. De bloodwood trees (de mangrove-achtige bomen langs de rivier) groeien met prachtig gevormde wortelstelsels langs de kant. We zagen ook kolibries en een aantal andere mooie vogelsoorten.




















Aan het einde gingen we even aan land bij een steiger. Andrew las de beheerders van het cafeetje daar de les over afval dat ze lieten rondslingeren. We liepen een stukje door de bush en gingen weer terug. Er stond een busje voor ons klaar. Later kwam de Franse bemanning van een catamaran ook in de bus. Andrew regelde dat Winston onze tocht over het eiland deed. En dat was een schot in de roos.

Met een aanstekelijk enthousiasme en zichtbaar trots op zijn land leidt hij ons langs allerlei bezienswaardigheden, inclusief zijn eigen huis en het huis van de premier van Dominica. Hij verteld dat Dominica zijn naam ontleend aan Columbus die op een zondag (domingo) voet aan land zette. Regelmatig stopt hij om een tak of vrucht te plukken en aan ons te laten zien. We komen ondermeer bij de Red Rocks waar lang geleden een aardbeving de vruchtbare laag aarde van de harde ondergrond heeft verwijderd en een scheur in de rotsen heeft gevormd. Het is daar een indrukwekkend maanlandschap met diepe spleten in de grond en een mooi uitzicht over de kust en de oceaan. We komen bij een koude zwavelbron, waar de gassen via gaten in de grond opborrelen.




















We gaan ook naar de Chaudiere Pool. Dat is een waterval die zich in een diepe poel stort. Het is een uurtje lopen door de wildernis. We klauteren over de rotsen en boomwortels terijl Winston als een hinde vooruit snelt. Je kan bij de waterval vanaf een meter of acht naar beneden springen en je via een natuurlijke glijbaan de waterval af laten storten. Tim en Bas vermaken zich prima. Joke springt na lang aarzelen wel de poel in en Johan kijkt dapper toe.

























Dit waren slechts de hoogtepunten van een tocht die de hele dag (ruim 8 uur) in beslag heeft genomen, terwijl in de beschrijving stond dat het om een 4-uurse tocht ging. Om een indruk te geven wat Winston allemaal heeft laten zien aan planten en bomen, soms in plantages, soms gewoon in het wild groeiend in het regenwoud: vanille, kaneel, cacao, koffie, abrikoos, sinaasappel, mandarijn, mango, banaan, plantaan (een banaan die je moet koken), citroen, limoen, papaya, ananas, kruidnagel, nootmuskaat, bosaardbei, avocado, broodvrucht, yam (soort aardappel), taro root (soort spinazie, ook wel callaloo), cashewnoot, pompelmoes, gember, kokosnoot, een gomboom, wierook, limoengras, katoen, pompoen en nog een aantal die we weer vergeten zijn.





























Dit alles in een prachtige overdaad aan groen waarmee Dominica is overdekt van zeeniveau tot aan de ruim 1400 meter hoge toppen van de bergen. Aangestoken door het enthousiasme van Winston komen we allemaal, zowel de Fransen als wij opgetogen aan het einde van de dag weer terug in Porthmouth. Hij regelt een boatboy om ons weer bij onze boten te brengen. Later komt Jack langs en informeert of alles goed is gegaan en tegen de avond komt Andrew langs om af te rekenen. We kregen, zoals Jack ons vooraf had beloofd, een prima deal. We betaalden alleen voor de lange bustour (zoals keurig vooraf in de informatiemap stond aangegeven). De Indian River en het regelen van de clearance werden niet in rekening gebracht. Vooraf had Jack ons gezegd: “first we want you to have a good time, money is not the most important”. Wij vinden echt dat ze dat hebben waargemaakt. Daarom een beetje reclame voor Cobra Tours.














Dominica, the place to be!

We hebben een aantal positieve verhalen gehoord over Dominica, dit in tegenstelling tot de wat oudere verhalen en een negatieve aantekening die nog altijd op de actuele elektronische zeekaart staat. Op de Tobago Cays kwamen we Canadezen tegen die het een schitterend eiland vonden, op de blog van Doen lazen we positieve berichten en de bemanning van Anna Sophia raadde ons ook aan om Porthmouth te bezoeken. We besloten we om de volgende dag vroeg op pad te gaan.
Om half vier ’s morgens haalden we het anker op en in het donker voeren we weg van Martinique. Het was even wennen zo midden in de nacht. Al snel ging het behoorlijk waaien, we hebben alles gehad tussen de 0 en 23 knopen en dat verschillende keren afgewisseld.
Eind van de ochtend kwamen we op de hoogte van Rouseau, de hoofdstad, waar de carnavalsmuziek op een afstand van 3 mijl uit de kust was te horen. Langs de magnifieke kust voeren we naar Portsmouth in het noorden.





De boatboys hebben zich verenigd in een organisatie PAYS (Portsmouth Association of Yacht Security) genaamd. Elke boot krijgt zijn eigen boatboy toegewezen, dus geen gezeur van bedelende mannen meer. Er is zelfs een security die ook ’s nachts de wacht houd. We hadden al gehoord van de wekelijkse barbecue en waren precies op tijd gearriveerd. Elke zondagavond wordt er een Beach BBQ gehouden inclusief rumpunch, de opbrengsten komen ten goede aan de organisatie. Het was lekker druk en we kwamen aan een tafel te zitten met een stel Engelsen en Nederlanders. Linda en Dirk van sy Jade hadden we ’s middags al ontmoet. Wat een heerlijke mensen, lekker down to earth en enthousiaste vertellers. Ze hebben een wereldreis van 6 jaar achter de rug en runnen in de zomer een restaurant in Nederland en in de winter zeilen ze in warmere oorden rond. De Engelsen zijn echte zeilers, hij is 78 en ze gaan deze zomer terug naar Engeland en daarna meteen weer oversteken naar de Carieb want ze zijn dol op oceaanzeilen. Johan heeft een hele tijd met ze zitten kletsen over de Contessa 32 (onze vorige boot). Het bleek dat de man als skipper van de Contessa 32 “Destroyer of Hornet” de Fastnet Race van 1979 heelhuids had oveleefd. In die race waren vele jachten beschadigd en gezonken. Alle Contessa’s hadden het echter goed doorstaan. De barbeque was heel gezellig.










Saint Pierre, Martinique

St. Pierre is onze laatste ankerbaai op Martinique. Wat meteeen al opvalt is de berg Mont Pelée. Vroeger was St. Pierre de hoofdstad van Martinique,

ooit was dit de belangrijkste, mooiste en rijkste stad van het eiland. Vlakbij deze stad werden in 1658 de laatste Caribische indianen vermoord,

volgens de legende spraken de laatste indianen vlak voor hun dood een vloek uit over de berg. Op 8 mei 1902 (Hemelvaartsdag) barstte de vulkaan uit,

met als gevolg bijna 30.000 doden.








De vulkaan gaf al dagen van te voren waarschuwingen, maar de gouverneur van het eiland durfde geen

verantwoordelijkheid te nemen voor een evacuatie. Hij werd daarbij gesteund door de plantagehouders, die vanwege financiële belangen geen evacuatie

wilden. Zelfs de krant schreef de dag voor de uitbarsting dat er geen gevaar aanwezig was. Enkele individuen hadden het gezonde verstand om weg te

gaan, voor de rest van de bevolking was alleen al het idee dat zo’n belangrijke stad vernietigd zou worden ondenkbaar. Denkende aan onze moderne maatschappij,

hebben we het gevoel dat de mensheid nog niet veel van de geschiedenis heeft geleerd.
De vulkaanuitbarsting was zeer heftig, er was een zogenaamde pyroclastische stroom. Dit is een van de verwoestendste effecten van een

vulkaanuitbarsting. De golven bestaan uit vaste of halfvloeibare lava, gas, rotsen en as. Ze kunnen temperaturen bereiken tot circa 850 °C en snelheden

tot circa 725 km/u. De uitbarsting van de Mont Pelée was zo bijzonder, dat het fenomeen de naam nuée ardente kreeg, deze stroom had een rode gloed

vandaar de naam die betekent “brandende wolk”.
Er waren slechts twee overlevenden. De bekenste hiervan was Cyparis, die zijn straf voor moord uitzat in de plaatselijke gevangenis. Cyparis zat

opgesloten in een stenen isoleercel die gespaard bleef tijdens de ramp en er nog steeds staat. Hij had flinke brandwonden door de hoge temperatuur maar

hij wist het nog drie dagen vol te houden totdat hij gevonden werd. Hierna werd hem gratie verleend en zoals dat vroeger ging met mensen die iets

afwijkends hadden, kreeg hij daarna een carriere in een rondreizend circus waar hij zijn brandwonden toonde.








Tegenwoordig wonen er nog maar 5.000 mensen en is Fort de France de hoofstad van Martinique. Er zijn nog vele ruïnes van de ramp waaronder het

indrukwekkende theater en Quartier de Figuier (18e eeuwse opslagruimtes). Veel van de huidige huizen zijn gebouwd op de oude fundamenten. Er liggen minstens 12 wrakken in de baai als gevolg van de vulkaanuitbarsting. Tim en Bas zijn naar de meest ondiepe, nog altijd 30 meter, gezwommen en hebben daarvan de contouren gezien.








De volgende dag gaan we wandelen, we komen in het dorp de kindercarnavalsoptocht tegen. De kinderen dansen enthousiast en zijn kleurig aangekleed. Als

we een foto willen maken worden we met ons fototoestel naar voren geschoven (dat moet wel een hele trotse ouder zijn).





Buiten het stadje gaan we eerst naar een waterval met de mooie naam Jardin de Plantes.
We klimmen gestaag omhoog en komen langs weelderig groeiende en bloeiende planten en bomen. Jammer dat we bij de waterval niet kunnen afdalen om een

even te plonzen, het is veel te steil. De heenweg zou wel lukken, maar terug gaat niet meer. We nemen een flinke slok van ons meegebrachte water en

gaan op weg naar ons volgende doel, een rumdistilleerderij.





















De fabriek van Depaz is zeven jaar na de vulkaanuitbarsting weer in gebruik genomen door de enige overlevende van de hele familie, 20 jaar na dato is het landhuis weer herbouwd. In het museum zien

we de oude klok die door de hitte gedeeltelijk gesmolten is. Met een foldertje in de hand lopen we rond op het terrein en leren en zien van alles over

het maken van rum. We hebben het geluk dat de oogsttijd van februari tot juni loopt en dat de machines net opgestart worden en de aanvoer van

suikerriet is begonnnen. De machines worden nog door een echte stoommachine aangedreven. Het afval van het suikerriet wordt gebruikt voor brandstof en het

as wordt later als mest op de velden gebruikt. Het water dat samen met de uit het riet geperste suiker gebruikt wordt als bais voor de rum, is afkomstig van de berg. Er is 12 kilometer

water gekanaliseerd en dus overvloedig aanwezig. Daar maken we dankbaar gebruik van door onze gezichten even te verfrissen en de bidons opnieuw te

vullen. Per dag wordt 25.000 liter rum gemaakt, van witte rum tot old rum (een aantal jaren gerijpt in vaten).
Aan het eind van de rondleiding kopen we nog een fles rum en twee rumpunch (rum met vruchtensap). Als we weer aan boord zitten toosten we op de

Martinique, een mooi eiland.






































Fort de France, Martinique

In La Palma hadden we voor het laatst de boot bevoorraad. Sindsdien hebben we alleen wat verse spullen, kleine aanvullingen en de laatste paar weken

ook frisdrank gekocht. Ons doel was om op Martinique opnieuw te bevoorraden. De “yachting scene” heeft zich op Martinique naar Le Marin in het

zuidoosten verplaatst. Dat vonden we echter niet zo handig, omdat de windrichting het voor ons moeilijk bereikbaar maakt. Daarom gingen we vanaf Grand

Anse d’Arlet naar Ans Matin, tegenover de hoofdstad Fort de France. Het was een ruig zeiltochtje.







Hier zit de kern van het hoteltoerisme en volgens de pilots zijn er legio autoverhuurbedrijven. We wilden met een huurautootje naar de grote

supermarkten in de buurt van Fort de France, omdat in de hoofdstad zelf niet al te beste supermarkten zouden zijn.

We mikten op de kleine jachthaven die in het verleden al meermalen was vernield door een hurricane, maar in 2008 weer als herbouwd in de pilots staat.

En inderdaad op stevige betonnen palen, zo dik als wijnvaten, was het zaakje weer herbouwd. En inmiddels opnieuw vernietigd. Een gestrand jacht dat er

vlak naast ligt als trieste getuige erbij.








In Ans Matin was eigenlijk niet veel meer te beleven. We vonden wel Hertz, Europcar, Budgetcar, Avis en nog een riedel autoverhuurbedrijven. Deze

hadden echter één ding gemeenschappelijk: ze hadden geen auto meer ter beschikking. Het is hoogseizoen zo vlak voor carnaval. Het supermarktje was

ongeveer twee keer zo duur als die in St. Lucia, zouden we dan terug moeten voor de inkopen?

De volgende dag staken we op het fokje de grote baai over naar Fort de France. Dit zou behoorlijk passé zijn, maar dat valt inmiddels best mee. Ze

hebben een ankerplaats voor jachten gereserveerd, met een gigantisch groot en heel goed uitgevoerd dingydock (dat is waar je met je bijboot kan

aanleggen).







Het havenfront is fraai aangelegd met kinderspeeltuinen. De locale bevolking zorgt op die manier voor sociale controle en het ziet er heel gezellig

uit. En ze hebben een MacDonalds. Dit konden we natuurlijk niet versmaden en we hebben daar lekker gesmuld. De taxfree scheepsbevoorrader op een

kwartiertje lopen zochten we tevergeefs. Er was nog een gebouw met twee Schiphol-achtige taxfree drank, parfum en rookwaren winkels, maar die mogen aan

prive jachten niet leveren.



We gingen eerst naar een watersportwinkel (die bestond nog wel op de plaats die de pilot aangeeft) voor een paar kaarten. Ertegenover is de

“Leaderprice” supermarkt met redelijke prijzen. Inmiddels is er ook een grote Carrefour supermarkt in de stad. Deze was echter duurder. Ons

vergelijkend onderzoek verklaarde de Leaderprice tot winnaar.

We zijn vier keer beladen met tassen, rugzakken en een mini boodschappenkarretje op pad geweest en we zijn voorlopig weer voor een maand of drie

bevoorraad. Kennelijk zag het er zo ongewoon uit, verhitte en zwaarbepakte toeristen met boodschappen, dat we werden aangesproken of we een taxi

wilden. Op ons nee keek de taxichauffeur ons aan alsof we volkomen gek waren. Nou ja, beetje dan want de volgende dag hadden we allemaal spierpijn.

De bril van Bas was enigszins uit elkaar aan het vallen, dus zijn we tussendoor nog naar een opticien geweest. Die heeft kans gezien de oude glazen in

een nieuw montuur te zetten. Bas kan dus voorlopig weer goed zien.

Woensdag varen we verder naar Saint Pierre. We vinden Fort de France wel leuk, maar het is gewoon een grote levendige stad met veel verkeer, sirenes,

stoplichten, luide muziek en drukte. We gaan weer wat rustiger plaatsjes opzoeken, tevreden dat onze strategie om te mikken op Martinique voor de

herbevoorrading is geslaagd.














Nautische informatie

Om veilig met de boot te varen gebruiken we heel wat informatie. Naast het kompas en de papieren zeekaarten heeft de moderne elektronica ook veel te

bieden. De kern wordt gevormd door de GPS die binnen bij de kaartentafel hangt. Die gebruiken we natuurlijk als belangrijkste bron voor de navigatie.

Verder zit in de top van de mast een een windsnelheids- en windrichting meter. In de romp van de boot zitten verder nog een dieptemeter met

zeewatertemperatuur sensor en soort schoepje dat de snelheid van de boot meet. Dit alles is leuk en aardig maar je moet het ook ergens kunnen aflezen,

liefst bij het stuurwiel in de kuip. Daarvoor hebben we een systeem aan boord dat vanuit de verschillende informatiebronnen de gegevens draadloos naar

displays zendt. De displays hebben we op een plankje gemonteerd die we in de kuip bij het stuurwiel kunnen plaatsen. Dit syteem heeft de naam

“Tacktick”.

We hebben op deze manier de koers over de grond, de kompaskoers, de diepte, de windrichting ten opzichte van de boot, de windsnelheid, de

zeewatertemperatuur, de snelheid over de grond, de snelheid door het water, koers en afstand tot het doel en nog het een en ander. Heel handig om snel

en accuraat te reageren op veranderende omstandigheden en om een permanent oog op de navigatie te hebben … totdat het systeem uitvalt. Halverwege de

oversteek naar de Caribean begon als eerste de windmeter in de mast zijn signaal te verliezen, later de zender die de GPS gegevens uitzendt en nog

later de zender van de diepte, zeewatertemperatuur en de snelheid door het water. De laatste twee kregen we meestal wel weer aan de praat, maar vielen

wel heel vaak uit.

Van alle informatie die we zo verloren hadden was met name de dieptemeter wel het meest onmisbaar, juist nu we een paar maanden rond de Caribische

eilanden rondscharrelen en ankeren. Alle andere informatie kan je als “handig maar niet onmisbaar” beschouwen. De kern van de navigatie, de GPS binnen,

blijft binnen bij de kaartentafel natuurlijk gewoon te lezen.

Het draadloze systeem is gebaseerd op kleine zonnecellen in de diplays en de windmeter in de mast. Die laden interne batterijtjes op om ook ’s nachts

te blijven functioneren. De zenders binnen worden door de boordaccu’s gevoed, maar hebben ook interne batterijen. Onze verdenking was dat deze

batterijtjes het een voor een aan het opgeven waren.
Eerst hadden we onze hoop gevestigd op de dealer in Rodney Bay, St. Lucia. Omdat daar de ARC aankomt verwachtten we daar de nodige ondersteuning. De

specialist daar begon bij het woord “Tacktick” al meewaardig zijn hoofd te schudden. Hij adviseerde om het hele spul terug te sturen naar de fabriek.

Uit zijn houding bleek dat al vele boten voor ons hadden aangeklopt met vergelijkbare problemen. Nog geen twee minuten later stonden we ontgoocheld

weer buiten. Johan overwoog al om een nieuwe dieptemeter aan te schaffen.
Daarna hebben we het geval aan de leverancier in Nederland gemaild. Nadat we twee keer waren doorverwezen kwamen we uiteindelijk terecht bij Raymarine,

zij hebben Tacktick recent overgenomen. Zo ging er nogal wat tijd overheen, maar uiteindelijk kregen we mail-contact. Dit bleek succesvol. We kregen de

suggestie om via een verborgen instelling (die niet in onze handleidingen staat) de frequentie te wijzigen waarmee de apparaten draadloos met elkaar

communiceren. Het blijkt dat de standaard frequentie in Europa goed werkt, maar ergens halverwege de oceaan verandert er kennelijk iets in de atmosfeer

waardoor de andere frequentie beter doorkomt. Het leek ons nogal een sterk verhaal, maar natuurlijk gingen we het proberen. Tot onze verbazing heeft

alles sindsdien weer goed gewerkt en zijn we weer helemaal blij met alle nautische informatie.



Grande Anse d’Arlet, Martinique

Wat een wereld van verschil: Martinique en de andere eilanden, die we tot nu toe bezocht hebben. Dit eiland is een stuk rijker, er vliegen hier helikopters rond, de straten zijn van asfalt in plaats van beton. Ze spreken hier natuurlijk Frans. Het is ook weer even wennen om met de euro te betalen, mobiel bellen kost hier slecht 36 cent/minuut (op St. Lucia was dat 4,85 euro/minuut) en we kunnen ’s morgen gewoon stokbrood kopen. Een ware cultuurschok dus.

Tot onze verbazing kunnen we inklaren via de computer in een restaurantje, we krijgen van de dame achter de kassa een stempel en handtekening en liggen nu officieel op Frans grondgebied. We blijven gelijk maar plakken om te genieten van de Franse-creoolse keuken en een prachtige zonsondergang.




















We liggen hier in een prachtige baai, al gauw zien we de eerste zeeschilpadden zwemmen. We liggen dan ook al gauw weer onder water en spotten weer nieuwe visjes en veel schildpadden. Tim en Bas hebben een nieuw kunstje bedacht, ze blazen luchtbellen uit die veranderen in luchtkringen. Joke probeert het ook, maar krijgt er alleen maar de slappe lach van en komt niet verder dan een hoop losse belletjes.






















Regenboog en groene flits

Op St. Lucia hebben we prachtige regenbogen gezien. Dagelijks krijgen we de nodige regenbuien op ons dak, dus zien we ook vaak de mooiste kleuren. Regenbogen die felgekleurd zijn tot op de grond en op een ochtend zelfs eentje in pasteltinten.








Niet alleen van de regenbogen, ook van de zonsondergangen maken we vele foto’s. We hebben nu allevier voor het eerst in ons leven de groene flits gezien, sinds haar eerste zeetocht (in 1986) was Joke er al regelmatig naar op zoek. Het verschijnsel duurt slechts 1 tot 2 seconden, dus lastig te fotograferen. De groene flits is het verschijnsel dat het laatste stukje zon groen kleurt, wanneer de zon tijdens zonsondergang achter de horizon zakt.








De theorie luidt alsvolgt:

“De groene flits ontstaat door het afbuigen van lichtstralen door de atmosfeer. Licht beweegt met verschillende snelheden door verschillende luchtdichtheid (sneller bij lagere dichtheid). Hierdoor buigt het licht van de zon dat horizontaal door de atmosfeer gaat, enigszins naar beneden af, zodat je de zon nog kunt zien wanneer deze in feite al onder is.
Het afbuigen is afhankelijk van de kleur van het licht. De zon zendt alle kleuren licht uit, en daarvan buigt het groen en blauw licht meer af dan het rode en gele licht. Zodoende is er een klein stukje zonneschijf, aan de bovenkant, dat enigszins groenig kleurt. ”

St. Lucia – Martinique

Met een tevreden gevoel nemen we afscheid van St. Lucia, we zijn er precies een week geweest en vinden het een charmant eiland. We hebben ook weer nieuwe dingen gegeten, bananenketchup en cocoscandy. In het fruitnetje liggen nog heerlijk sappige grapefruits (inmiddels uitgeperst, ze smaakten veel beter dan in Nederland) en soursop (een vrucht die nog een paar dagen mag rijpen).







We varen van St. Lucia naar Martinique met een stevige wind, langzaam zien we de Pitons steeds vager worden. We zeilen flink gereefd en worden opgelopen door een Britse tweemaster eveneens flink gereefd, het megajacht ziet er spectaculair uit. Na aankomst kwamen zij in hun bijboot langs en maakten ons een compliment dat onze boot er onder zeil zo goed uitzag. Even later zien we een Nederlands jacht, ook zij halen ons in en we maken over en weer foto’s. Toevallig hebben we dezelfde baai als eindbestemming na een heerlijke zeiltocht.


















Als we voor anker liggen en de bemanning van de Helena Cristina zich heeft voorgesteld en we afspreken om de foto’s uit te wisselen, dringt het langzaam tot ons door het de boot van de bekende Nederlandse zeilers Aad en Hella Twigt is. Nota bene auteurs van twee zeilboeken die wij aan boord hebben! Later hebben we gezellig een drankje gedronken en de foto’s uitgewisseld (die van ons volgen in maart, het verlengkabeltje ligt nog in Nederland). Aad kende onze boot en wist nog een en ander over de geschiedenis te vertellen wat wij niet wisten. De Beluga is ooit eens in Curaçao geweest. Een bijzonder leuke ontmoeting!

Rodney Bay, St. Lucia

Vanuit Soufriere varen we tegen de golven in naar Marigot Bay. Johan is hier 30 jaar geleden geweest en wil het graag nog eens zien. In de tussenliggende tijd is de baai erg veranderd, veel huizen zijn erbij gekomen, overal liggen moorings, superjachten bezetten nu de baai en er is zelfs een pontje. Wij vinden het overontwikkeld en als we ook nog eens te horen krijgen dat een mooring voor 1 nacht 80 EC dollar (een kleine 25 euro) bedraagt, dan zijn we het er snel over eens dat we doorvaren naar Rodney Bay. Later horen we van een local die uit Marigot Bay komt, dat het “too much and too fast” is daar. Helemaal mee eens dus.








In Rodney Bay gaan we eerst voor anker en lekker eten bij Jambe de Bois. Het is een gezellig restaurant met een relaxte sfeer, goed internet en live muziek. Er staan 241 (2for1) cocktails op de kaart waarbij je er twee krijgt en een betaald, tja dat laten we ons niet twee keer zeggen. Het meubilair is gemaakt van aangespoeld hout en scheepsonderdelen, zoals een stuurwiel. Een heerlijke hangplek voor ons.
We blijven er twee dagen liggen en nemen een off-dag om alle indrukken van St. Lucia te laten bezinken. Gewoon beetje rondkijken en beetje lezen, we zijn er zo druk mee dat we niet eens een duik nemen.




Tijdens de 17e en 18e eeuw wisselde St Lucia 14 maal van bewind tussen Franse en Britse overheersingen. In 1814 werd St Lucia definitief afgestaan aan de Britten en in 1842 werd het Engels de officiële taal. Sinds 1967 is St. Lucia zelfstandig en in 1979 een onafhankelijke staat met een stabiele parlementaire demokratie. Dit verklaard dus de vele Franse namen hier.

Omdat we water nodig hebben en onszelf willen trakteren op een echte douche gaan we de Rodney Bay Marina in. Het is de haven waar jaarlijkse de boten die deelnemen aan de ARC (Atlantic Rally Crossing) finishen.
Wat een luxe hier!
De boot ligt helemaal stil, we zwemmen in een echt zwembad, douchen met warm water en de was wordt gedaan. Ze zijn hier helemaal ingesteld op service. De was wordt opgehaald en een paar uur later weer teruggebracht. Elke steiger heeft zijn eigen dock master en overal lopen mannetjes rond die reparaties uitvoeren.








We worden aangesproken door iemand die onze romp wel wil poetsen, dat wilden we zelf ook al wel een tijdje doen. Na wat onderhandelen en de charme van de local, ze weten hoe ze je moeten benaderen (stimuleren van de werkgelegenheid) hebben we een deal. De volgende dag wordt er 2,5 uur onder vrolijk gezang hard gewerkt. Rastaman Attention, zoals hij hetzelf zegt, zorgt ervoor dat de hele romp weer schoon en glimmend is. “You happy, me happy, everbody happy”, het klopt helemaal en we hebben de lokale economie weer gesteund.








Aangestoken door zijn enthousiasme ontruimen we het vooronder waar een van de jerrycans met diesel heeft gelekt. We geven de kuip een schoonmaakbeurt en repareren een gebroken stokje. Eind van de middag stappen we zelf ook nog eens onder de warme douche en schip en bemanning zijn weer helemaal spic en span.








Vandaag gaan we uitklaren en varen we door naar Martinique.

Soufriere, St. Lucia

Al meteen als we afgemeerd zijn ruiken we een vreemde geur in de baai. We denken eerst nog dat het van het stadje komt, maar als we ons verdiept hebben in de

bezienswaardigheden hier op het eiland komen we erachter dat het zwavel is. Het blijkt ook dat de naam van het stadje “zwavel in de lucht” betekent. Tja, nu is

het ons duidelijk het dat dus niet van de bewoners afkomstig is. Het was vroeger de hoofdstad van St. Lucia, gesticht door de Fransen in 1746. De Fransen

werden door de Engelsen verdreven in 1754, maar nog een heleboel namen zijn afkomstig van het Frans.







Hier nabij Soufriere ligt de enige krater ter wereld waar je met een auto in kunt rijden. De krater is 12 kilometer in doorsnede, er wonen zelfs mensen in.

Op het eerste gezicht vreemd, maar door de zwavelgeur zijn er geen muggen en de zwavelgrond is erg vruchtbaar. De mensen zijn aan de geur gewend en het fruit

dat ze verbouwen neemt niets op van de smaak van zwavel.
Eigenlijk trekt de krater ons niet zo, maar als we na drie keer weer aangesproken zijn door de lokale bevolking of we er al geweest zijn gaan we toch een

beetje twijfelen. Het blijkt dat ze in de supermarkt zelfs zwavelzeep verkopen.
Na lang beraad gaan we met z’n drieen een kijkje bij de “hottest and most acive geothermal field in the Lesser Antilles”. We krijgen een rondleiding en zien

borrelende poeltjes en opstijgende stoom. Voor de oorspronkelijke bewoners de Amerindians was dit een heilige plaats en het water wordt nu nog beschouwd als

een natuurlijke genezer.




Sinds er 25 jaar geleden een gids in een van de 100 graden hete poeltjes is gevallen, mogen er alleen nog wetenschappers in het centrum rondlopen.
Na de rondleiding nemen we een modderbad van 40 graden (best wel erg warm) en daarna smeren we ons in met lava-modder. Even drogen in de zon, afspoelen en we

hebben een heerlijk zacht huidje.







Onze gids weet nog een prachtige waterval, die is veel warmer dan de koude douches hier. We mogen in onze zwemkleding weer in de taxi, handdoekje op de bank

en hup naar de Petit Piton Mineral Falls.
Het is daar een waar paradijsje. Er zijn twee watervallen, de een 30 graden en de ander ietsie kouder. We zijn alleen en poedelen lekker rond onder de

watervallen en in de zwembaden, we zouden de hele dag wel willen blijven zitten.

















Na een tijdje komt er een buslading toeristen, een goed moment voor ons om weer te vertrekken. We stoppen onderweg nog een paar keer om prachtige foto’s te

maken van ons bootje in de ankerbaai en Petit Piton, die samen met zijn grote broer Gros Piton is opgenomen op de lijst van het Unesco werelderfgoed.















Verder vermaken we ons nog met snorkelen, er zit hier veel koraal in allerlei vormen en kleuren. Sinds 1994 wordt er streng op gecontroleerd dat jachten niet

zomaar ankeren tussen het koraal. Er liggen voldoende moorings en de Rangers zijn erg actief in het gebied. De jongens gaan op een ochtend twee duiken doen en

komen zeer enthousiast terug. Pa en ma gaan ondertussen snorkelen en zien weer een prachtige onderwaterwereld. We zien zelfs belletjes naar boven komen, wat

duidt op kleine vulkanische activiteit. We varen nog even langs de Bat Cave, zien een heleboel vleermuizen en horen een hoop gepiep. We zijn echter niet zo stoer, dat

we er ook in durven zwemmen.

































Het omgaan met de boatboys en de lokale verkopers op het land leren we beetje bij beetje. Sommige zijn bijna agressief en andere praten echt op je gemoed in.

We blijven vriendelijk en laten ons af en toe verleiden tot het kopen van een kettinkje (goed voor de economie), het laten oppassen op de dinghy, alhoewel ie

op slot licht (bijdrage voor het stichten van een eigen bedrijf) en het bijna uit onze handen rukken van een afvalzak (ik heb honger en wil geld voor eten).